Informatica 01

10 flashcards · Computer Science · by confiks

  1. Waar bestaat een computerprogramma uit?

    Een computerprogramma bestaat uit een reeks van instructies

  2. Wat is programmeren?

    Programmeren is het proces van ontwerpen, schrijven (coden), testen en analyseren van een computerprogramma.

  3. Door welk onderdeel in een computer worden programma's uitgevoerd?

    De processor (of central processing unit, CPU)

  4. Hoe heet het type schakelaars waarvan er miljarden in één processor zitten?

    Een transistor

  5. In welke taal moeten de instructies van een programma geschreven zijn, zodat ze direct door de processor kunnen worden uitgevoerd?

    In machinetaal. Deze taal bevat alleen hele simpele instructies.

  6. Hoe heet het programma dat programmeertaal kan vertalen naar machinetaal?

    Een compiler

  7. Hoe heet het programma dat een programmeertaal regel-voor-regel leest en uitvoert?

    Een interpreter

  8. Maakt Python gebruik van een compiler of een interpreter?

    Van een interpreter. Python wordt dus niet vertaald naar machinetaal, maar regel-voor-regel gelezen en uitgevoerd

  9. Wat is het verschil tussen lagere programmeertalen en hogere programmeertalen

    In lagere programmeertalen heb je nog veel te maken met de details van hoe een computer werkt. Bijvoorbeeld met geheugenadressen en system calls. Dat maakt het lastiger programmeren, maar geeft je wel meer mogelijkheden. In hogere programmeertalen zijn de details voor je verborgen.

  10. Is Python een lagere of hogere programmeertaal?

    Een hogere programmeertaal. Je kan in Python bijvoorbeeld niet zelf het geheugen van de computer beheren.