Schoolleeftijd (hoofdstuk 8 Ontwikkelingspsychologie)

22 flashcards · Other · by Iris Roelofs

  1. Tot welke fase behoort de schoolleeftijd?

    De concreet-operationele periode

  2. Wat is reversibiliteit?

    Door denkoperaties kunnen kinderen interne representaties mentaal bewerken. Zij voeren een soort gedachtehandeling uit. Een belangrijk principe hierbij is reversibiliteit. In gedachte kan het concreet-operationele kind een handeling weer terugbrengen tot de oorspronkelijke toestand.

  3. Wat neemt er vooral toe in het geheugencapaciteit?

    Met name het korttermijngeheugen en werkgeheugen.

  4. Waardoor is er sprake van een toename van de functionele capaciteit?

    Dit komt door toenemend myelinisatie.

  5. Wat wordt er bedoelt met interne strategie?

    Het herhalen en ordenen van datgene wat onthouden moet worden, door denkoperaties kunnen kinderen interne representaties mentaal bewerken. Zij voeren een soort gedachtehandeling uit. Een belangrijk principe hierbij is reversibiliteit. In gedachte kan het concreet-operationele kind een handeling weer terugbrengen tot de oorspronkelijke toestand.

  6. Wat wordt er bedoelt met externe strategie?

    Het geven van betekenis aan de te onthouden informatie door die te koppelen met iets anders. Voorbeelden van externe strategieën zijn: briefjes, het maken van aantekeningen en het onderstrepen.

  7. Wat zijn de algemene leervoorwaarden?

    Toe zijn aan meer leren en schools gedragen Cognitieve ontwikkeling/functies: aandacht/concentratie/geheugen/taal Emotionele ontwikkeling: zelfvertrouwen/autonomie/motivatie Sociale ontwikkeling: zelfregulatie (emoties zijn onder controle)

  8. Wat zijn de drie schoolse vaardigheden

    Lezen, rekenen, schrijven.

  9. Door wie wordt de kwaliteit van het onderwijs bewaakt?

    Door de Inspectie van het Onderwijs.

  10. Waarin wordt de algemene cognitieve vermogen uitgedrukt?

    IQ.

  11. Waarvoor staat IQ?

    Intelligentiequotiënt.

  12. Wat is de meeste voorkomende IQ test in Nederland en Vlaanderen?

    WISC (WISC-V-NL).

  13. Wat is vloeibare intelligentie?

    Hoe je met kennis om gaat. Logisch redeneren, hier zien van verbanden en het trekken van conclusies.

  14. Wat is gekristalliseerde intelligentie?

    De hoeveel (feitelijke) kennis, statische intelligentie. (woordenschat).

  15. Wat is van invloed op het IQ?

    Genetische- omgevingsinvloeden

  16. Wat betekent het begrip executieve functies?

    Functies die met zelfregulatie te maken hebben.

  17. Wat houdt de pre conventioneel stadium is?

    Wat een kind goed of slecht vindt is gebasseerd op directe gevolgen zoals straf of beloning.

  18. Wat houdt de conventioneel stadium in?

    Wat beantwoordt aan de groepsnorm is goed. Groepsnorm/loyaal.

  19. Wat houdt de post conventioneel stadium in?

    Eigen verantwoordelijkheid/ethische principes. Wat ik vind/redeneren vanuit ''ik''. Eigen verantwoordelijkheid voor het naleven van algemene menselijke waarden.

  20. Wat houdt een autoritaire gezin in?

    Veel strenge regels. Gehoorzamen kind, respect voor autoriteit. Eenrichtingsverkeer in communicatie.

  21. Wat houdt het toegefelijke (permissieve) patroon/gezin in?

    Veel vrijheid geven maar enigszins in gesprek gaan, kind lijdend. Grote tolerantie van ouders voor ongeremd gedrag kind. Lage verwachtingen ten aanzien van het kind.

  22. Wat houdt het verwaarlozende patroon/gezin in?

    Geen empathische band, het kind wordt niet gezien. Ontbreken van interesse voor het kind en weinig steun en interactie. Ouders niet betrokken.