frans examen woordenschat

139 flashcards · Other · by icey_keebs keebs

  1. la devise

    de leuze

  2. le drapeau blue blanc rouge

    de wit blauw rode vlag

  3. le drapeuo tricolore

    de Franse driekleur

  4. l'état (m)

    de staat

  5. la fête nationale

    de nationale feestdag

  6. le gourvernement

    de regering

  7. l'hymne national

    het volkslied

  8. liberté, égalité fraternité

    vrijheid gelijkheid broederschap

  9. Marianne

    Marianne

  10. la Marseillase

    Franse volkslied

  11. le président

    de president

  12. la reine

    de koningin

  13. la république

    het republiek

  14. la révolution

    de revolutie

  15. le roi

    de koning

  16. le royaume

    het koninkrijk

  17. le signe

    het teken

  18. le symbole

    het symbool

  19. la baie

    de baai

  20. la campagne

    het platteland

  21. la colline

    de heuvel

  22. la côte

    de kust

  23. le désert

    de woestijn

  24. La dune

    de duin

  25. l'étang (m)

    de vijver

  26. la falaise

    de klif

  27. le fleuve

    de stroo,

  28. les gorges

    de rotskloof

  29. l'île

    het eiland

  30. le lac

    het meer

  31. la mer

    de zee

  32. la montagne

    de berg

  33. le mont blanc

    hoogste berg in europa

  34. le point de vue

    het uitwicht

  35. la rivière

    het rivier

  36. le roche

    de rots

  37. het pad

    le sentier

  38. le sommet

    de bergtop

  39. la source

    de bron

  40. la vallée

    de vallei

  41. le volcan

    de vulkaan

  42. l'auberge de jeunesse (f)

    de jeugdherberg

  43. l'autoroute

    de autosnelweg

  44. le camping

    de camping

  45. la chambre d'hôtes

    de gastenkamer

  46. le chemin

    de weg

  47. l'etoile (f)

    de ster

  48. l'excursion

    de excursie of uitstap

  49. la gîte

    de vakantiewoning

  50. le guide Michelin

    de gids van Michelin

  51. le Midi

    het zuiden van frankrijk

  52. l'office de tourisme (f)

    de dienst voor tourisme

  53. le panneau

    het verkeersbord

  54. le péage

    de tol

  55. la promenade

    de wandeling

  56. la randonnée

    de tocht

  57. la RD

    de departementale weg

  58. la RN

    de nationale weg

  59. à l'étranger

    in het buitenland

  60. la banlieue

    de buitenwijken

  61. la capitale

    de hoofdstad

  62. la commune

    de gemeente

  63. le DOM

    de overzeese departement

  64. l'hexagone (m)

    de zeshoek (vorm van frankrijk)

  65. l'hôtel de ville (m)

    het stadshuis

  66. la region

    de regio

  67. la ville

    de stad

  68. l'àperitif (m)

    het aperitief

  69. la baguette

    het stokbrood

  70. la bouillabaisse

    soort vissoep

  71. la choucroute

    zuurkool schotel

  72. les crustacés

    schaaldieren

  73. les escargots

    slakken gerecht

  74. la ficelle

    dunne baguette

  75. les herbes de provence

    provencaanse kruiden

  76. l'huile d'olive

    olijfolie

  77. le produit du terroir

    streekproduct

  78. la ratatouille

    groenten gerecht

  79. le riz

    de rijst

  80. la tartiflette

    aardappel met kaas

  81. le changement

    de verandering

  82. le consommateur

    de consument

  83. le constat

    de vaststelling

  84. dangereux

    gevaarlijk

  85. changer

    veranderen

  86. chercher

    zoeken

  87. consommer

    verbruiken

  88. diminuer

    verminderen

  89. limiter

    beperken

  90. réparer

    herstellen

  91. la planète

    de planeet

  92. le sol

    de zon

  93. la terre

    de aarde

  94. le contenant

    het voorwerp waarin iets kan

  95. le covoiturage

    carpoolen

  96. l'écologie

    ecologie

  97. l'environnement

    het milieue

  98. la station d'épuration

    het waterverzuiveringsstation

  99. les transports en commun

    openbaar vervoer

  100. biodégradable

    biologisch afbreekbaar afval