Geschiedenis TEA2 23/24 H3,H4

70 flashcards · History · by Jessamy Repi

  1. Wanneer werd de islam gesticht?

    632

  2. Door wie werd de islam gesticht?

    Mohammed, een Arabische koopman die door Allah werd uitgekozen als profeet

  3. Wat is de Koran?

    Een heilig boek waar de verzen van engel Gabriël in staan

  4. Wat is de jihad? Welke betekenis kreeg het na Mohammeds dood?

    De heilige strijd, de innerlijke strijd om een goed moslim te zijn en de islam te verdedigen. Na Mohammeds dood werd het ook een verplichting om de godsdienst te verspreiden

  5. Wanneer begon de islamitische jaartelling?

    622

  6. Wat deed Mohammed in 622?

    Hij was uit zijn geboorteplaats Mekka verdreven naar de stad Medina, waar hij politieke en godsdienstige gezag in handen kreeg en een islamitische staat ontstond

  7. Wat is de kalief?

    De kalief is de nieuwe politieke en geestelijke leider

  8. Na de moord op kalief Ali in 661kwamen de Omajjaden aan de macht. Zij creëerden een een systeem waarbij de titel en positie van kalief erfelijk werd

    Naam, jaartal, groep, kenmerken van de kalief

  9. Islamitische legers staken vanuit Marokko in 711 over naar Europa

    Jaartal

  10. Tijd van de jagers en boeren

    Tot 3000 v.Chr.

  11. Tijd van de Grieken en Romeinen

    3000 v.Chr. tot 500 n.Chr.

  12. Tijd van monniken en ridders

    500 tot 1000

  13. Tijd van steden en staten

    1000 tot 1500

  14. Tijd van monniken en ridders

    500 tot 1000

  15. Tijd van steden en staten

    1000 tot 1500

  16. Tijd van ontdekkers en hervormers

    1500 tot 1600

  17. Tijd van regenten en vorsten

    1600 tot 1700

  18. Tijd van pruiken en revoluties

    1700 tot 1800

  19. Tijd van burgers en stoommachines

    1800 tot 1900

  20. Tijd van de wereldoorlogen

    1900 tot 1950

  21. Tijd van de televisie en computer

    1950 tot heden

  22. De verspreiding van het christendom in geheel Europa

    geloof, continent

  23. Ontstaan en verspreiding van de islam

    geloof

  24. De vrijwel volledige vervanging in West-Europa van de agrarisch-urbane cultuur door een zelfvoorzienende agrarische cultuur, georganiseerd via hofstelsel en horigheid

    cultuur, cultuur, systeem, systeem

  25. Het ontstaan van feodale houdingen in het bestuur

    systeem

  26. De opkomst van handel en ambacht die de basis legde voor het herleven van een agrarisch-urbane samenleving

  27. De opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van steden

  28. Het conflict in de christelijke wereld over de vraag of de wereldlijke dan wel de geestelijke macht het primaat behoorde te hebben

    titel, titel, synoniem oppergezag

  29. De expansie van de christelijke wereld naar buiten toe, onder andere in de vorm van kruistochten

    geloof, activiteit

  30. Het begin van staatsvorming en centralisatie

    systeem, bestuursvorm

  31. Wat is de oorzaak van de snelle Arabische veroveringen?

    Het Perzische en Byzantijnse rijk waren rond 630 ernstig verzwakt, door de oorlog tegen elkaar en de pestepidemie

  32. Dynastie

    Regerende familie

  33. Emir

    Arabische vorst

  34. Kalifaat

    islamitische rijk

  35. Profeet

    De boodschapper

  36. Een lid van de grootste geloofsrichting binnen de islam heet een soenniet

  37. Een lid van de minderheidsgroep binnen de islam heet een sjiet

  38. Sultan

    islamitische vorst

  39. Een domein is het gebied van een edelman of abdij

  40. Onbetaald werk voor de heer van het domein heten herendiensten

  41. De val van het West-Romeinse rijk komt vooral door de volksverhuizingen

  42. De macht kwam in handen van de Germaanse koningen, omdat de handel in het Germaanse rijk begon

  43. Welke problemen waren er voor de Frankische koningen?

    Alleen de geestelijken konden lezen en schrijven Geschreven wetten hadden geen zin Wegen werden slecht onderhouden Hij kan niet reizen De handel verdween, waardoor er geld verdween Hij kan geen belasting heffen

  44. Wat is de relatie tussen de koning en de vazallen?

    Die zwoeren de koning trouw, de koning gaf inkomen en levensonderhoud. De vazallen moesten strijden of hem adviseren over wetten en rechtspraak

  45. Wat is het feodalisme/leenstelsel? (Wat zijn de drie gradaties?)

    De koning heeft gebied, de koning (leenheer) verdeelde het over leenmannen (hoge adel) die het mochten besturen, zij gaven de koning trouw. De leenmannen verdeelden hun gebied ook vaak op aan de achterleenmannen (lage adel), die gaven de trouw aan de leenmannen (de leenheer van de achterleenmannen)

  46. Wat zijn de zwaktes van het feodalisme?

    Leenmannen wilden graag de macht binnen hun familie houden Verhouding tussen leenheer en leenmannen werd minder persoonlijk Leenmannen benoemden zelf ook leenmannen (achterleenmannen)

  47. Het Romeinse rijk had een goed bestuur en een goed leger. Ze leefden in een agrarisch-urbane samenleving

  48. Na 500 werd West-Europa weer een agrarische samenleving

    Jaartal, soort samenleving

  49. Wat is autarkie?

    zelfvoorziening

  50. Wat waren de soorten boeren? Wat zijn de kenmerken van de gradaties?

    Vrije boeren Eigen stuk grond om op te werken Horige boeren Horen bij het land van de heer/edelman en mocht het domein niet verlaten Oorzaak: na de val van het Romeinse Rijk was er een daling in de oogst, dus leenheren verplichtten de horige om op het land te blijven Lijfeigenen Eigendom van de heer

  51. Wat was de reden van het ontstaan van het hofstelsel?

    Het was onveilig om een vrije boer te zijn, omdat er veel honger en armoede was waardoor mensen de boerderijen gingen plunderen. De vrije boeren gingen bij de lage adel/edelman te wonen. Die gaf de boeren bescherming en landbouwgrond en de boeren gaven hem een deel van de oogst en herendiensten.

  52. Wat was de indeling van een domein/hof?

    Het vroonland beheerd door de heer onderhouden door lijfeigenen molen, smederij, werkplaatsen Hoevenland gepacht en beheerd door de horige en vrije boeren

  53. Wat is het verschiltussen het hofstelsel en het feodalisme/leenstelsel?

    Het feodalisme is een politiek systeem van de adel. Het hofstelsel draait om de economie en de sociale verhoudingen en betrekt de boeren

  54. Wat is de hiërarchische opbouw van de Katholieke kerk?

    De paus opvolger apostel Petrus, bepaald beleid, beslist over geloofszaken Bischoppen hoofd van kerkelijke bestuursgebieden (bisdommen), geloof wordt verspreid, in zijn stad is een kathedraal Priesters

  55. Wat is de geestelijkheid?

    Mensen met een officiële functie in de kerk. Zij hebben de macht over de gelovigen

  56. Wat is de wereldlijke macht?

    De macht van de keizers, koningen en edelen over hun volk. deze macht betreft bestuur en rechtspraak

  57. Wat is de tweezwaardenleer? Wie hadden welke rol?

    Geestelijke en wereldlijke macht hebben elk hun eigen gebied waar ze over heersen de paus: geloof de vorsten: bestuur en rechtspraak

  58. Wat waren de oorzaken van de groei van het christendom?

    Samenwerking tussen paus en Karolingische vorsten Paus zond missionarissen (geestelijken om mensen te bekeren tot het christendom) uit in Europa om heidense (niet-christelijke) volkeren te kerstenen (christelijk gemaakt worden) Vorsten versloegen heidense volkeren en dwongen ze tot kerstening Snel groeiende rijkdom van kerk en geld = macht Goede organisatie van de kerk bisschoppen hielden toezicht in hun gebieden stichting van kloosters (monniken en nonnen trokken zich terug uit de wereld om zi…

  59. Wat gebeurde er tijdens de Karolingische Renaissance?

    Karel de Grote stichtte kloosterscholen om onderwijs te bevorderen

  60. Wat waren de problemen voor het christendom?

    Christendom drong pas na 1000 écht door tot het gewone volk Verspreiding bedreigd door moslims, Vikingen en Hongaren 1054: Schisma Christendom raakt verdeeld in het Rooms-Katholieke deel en het Grieks-Orthodoxe deel

  61. In 1054 vond het Schisma plaats. Het christendom raakt verdeeld in twee groepen: het Rooms-Katholieke deel en het Grieks-Orthodoxe deel

    jaartal, gebeurtenis, geloof, geloof

  62. Monotheïsme

    Religie waarin één god wordt vereerd

  63. Wat waren de vier grootste oorzaken van de verspreiding van de islam?

    Aangrenzende rijken waren zwak Jihad: verplichting om het geloof te verspreiden Islam werd de basis van het bestuur Tolerantie ten opzichte van joden en christenen

  64. Wat is het verschil tussen de soennieten en de sjiieten?

    Soennieten Leider hoeft geen direct afstammeling van Mohammed te zijn Omayyaden (661-750) grootste groep moslims Sjiieten Volgelingen van Ali, de neef van Mohammed Omayyaden wordt verslagen door de Abassieden (de sjiieten) (750-1258)

  65. Wat is de reconquista?

    De herovering van Spanje en Portugal op de moslims

  66. Tot het jaar 1000 is West-Europa een autarkische agrarische samenleving. Vanaf het jaar 1000 is West-Eruopa weer een agrarisch-urbane samenleving

    jaartal, samenleving, jaartal, samenleving

  67. Wat veranderd er rond het jaar 1000 dat Europa weer een agrarisch-urbane samenleving wordt? En wat is het gevolg?

    Toename veiligheid Einde invallen Vikingen Voedselproductie neemt toe meer grond voor landbouw ontginningen en inpolderingen (land speciaal voor landbouw) Technische veranderingen Ploegen Paarden Drieslagstelsel (i.p.v. tweeslagstelsel) drie delen grond: zomer, winter, leeg grond Sterke bevolkingsgroei Overschot productie, dus toename handel De steden komen terug

  68. Wie kregen meer vrijheid door de opkomst van de steden? Wat waren de gevolgen?

    De boeren -> In de steden waren geen herendiensten en geen belasting Heren vroegen minder herendiensten Burgers -> In de steden was er handel en ambacht Burgers kregen stadsrechten in ruil voor belasting

  69. Wat zijn drie politieke en drie economische stadsrechten die steden kregen?

    Politiek: eigen bestuur, eigen rechtspraak, eigen verdediging Economisch: jaarmarkt, tolheffing, gilden

  70. Wat is de Investituursstrijd? Wat is het gevolg?

    Ruzie tussen de pausen en de keizers over wie de bisschoppen mag benoemen. In 1122 komt het Concordaat van Worms waarin wordt besloten dat de paus de bisschoppen benoemt en dat de keizer hen dan wereldlijke macht kan geven