Thema 4 - Afweer

115 flashcards · Other · by B. Vrisou van Eck

  1. Bouwplan bacterie

    geen kernmembraan plasmiden = DNA geen organellen wel ribosomen (70S)

  2. peptidoglycaan is hydrofiel

  3. extra laag buitenmembraan is gemaakt van liposachariden en lipoproteïnen en is dus hydrofoob

  4. LPS hebben antigene eigenschappen en toxische eigenschappen (endotoxine)

  5. Functie pili type I type II

    kolonisatie genetische diversiteit

  6. adhesienes

    eiwitten die binden aan receptoren gastheercellen

  7. transformatie

    opnemen van vreemd DNA in eigen genoom

  8. conjugatie

    transfer van enkelstrengs DNA door buisje

  9. transductie

    bacteriofagen pakken stukjes DNA uit ene bacterie en verplaatsen het naar andere bacterie

  10. plasmiden kunnen onafhankelijk repliceren

  11. transposons

    verplaatsen DNA van ene plek op genoom naar andere of wisselen het uit met DNA in plasmiden

  12. waarom sporuleren schimmels?

    voortplanting verspreiden naar nieuwe omgeving

  13. Classificatie schimmels

    groeivorm: filamenteus of gistend type infectie: superficial, subcutaan of diep

  14. endotoxinen komen vrij als...

    bacterie sterft, want zit op buitenmembraan

  15. exotoxinen komen vrij als... en zorgen voor...

    bacterie levend is ziekte verschijnselen

  16. functies AMPs

    doden microben (lysis) activatie immuuncellen (chomtaxis) onstekingsmodulatie bescherming slijmvliezen + wondgenezing

  17. slijm bevat

    AMPs enzymen IgA

  18. Transport IgA door epitheelcellen door...

    poly-Ig receptor (stukje daarvan blijft er aan zitten voor de stevigheid)

  19. Wat behoort tot de aangeboren afweer?

    barrières anti-micorbiële eiwitten: defensinen fagocyten, dendritische cellen, NK-cellen en complement eiwitten

  20. functie neutrofiele granulocyten

    fagocytose en degranulatie

  21. functie monocyten/ macrofagen

    fagocytose/ weefsel herstel

  22. Functie NK-cellen

    identificatie CD56 doden geïnfecteerde cellen door secretie granzymen (lysis) secretie preforine -> makkelijker binnendringen cel door granzymen

  23. fucntie aangeboren lymfoïde cellen

    cytokine productie

  24. functie eosonofiele granulocyten

    doden wormen

  25. functie basofiele granulocyten en mestcellen

    productie histamine

  26. fucntie dendritische cellen

    antigeen presentatie

  27. verworven humorale afweer

    T-helpercel + antigeen -> binden aan B-lymfocyt -> proliferatie -> plasmacellen -> productie immunoglobuline -> extracellulaire micro-organismen

  28. verworven cellulaire afweer

    dendritsiche cel presenteerd antigeen aan T-cel receptor -> proliferatie tot effectorcel -> intracellulaire micro-organismen

  29. chemokinen

    productie door mestcellen aantrekken leukocyten migratie naar ontsteking

  30. cytokinen

    activatie door TLR groeifactoren negatieve feedback

  31. Interferonen zijn pro-inflammatoire interleukinen zijn anti-inflammatoire

  32. Cellulitis

    door Streptococcus pyogenes of staphylococcus aureus behandeling: flucoxacilline

  33. pneumonie

    CAP: streptococcus pneumoniae, H. influenza, M. pneumoniae HAP: staphylococcus aureus, pseusomonas aeruginosa, klebsiella pneumoniae behandeling: ?

  34. PRRs

    herkennen PAMPs en DAMPs zitten op oppervlak fagocytotische blaasjes en in het cytosol

  35. soorten PRRs en waar ze zitten

    TLR: extracellulaire receptor NOD 1/2: in immuuncellen C-type lectine: op membraan scavenger receptoren: op membraan

  36. Functies complementsysteem

    opsonisatie ontsteking lysis

  37. Activatie complementsysteem

    klassiek: antilichaam (Ig of CRP) herkend antigeen -> C1q molecuul bind -> C3 bindt -> C3->C3a (onsteking) + C3b (opsonisatie) -> C3b bind aan microob -> C5-convertase bindt-> C5->C5a (onsteking) + C5b -> C5b+C6-9 -> lysis door porie alternatief: C3b bindt direct lectine route: lectine bindt ipv C1q

  38. Belangrijke cytokinen

    TNF-alfa IL-1 (productie door macrofagen) IL-6 (productie door T-lymfocyten)

  39. Endocarditis

    door viridans streptokokken, streptococcus bocis, staphylococcus aureus behandeling: antibiotica iv (4-6 weken)

  40. meningitis

    neisseria meningiditis -> ceftriaxon H. influenza -> cerftriaxon/ cefotaxime pneumokokken meningitis -> ceftriaxon listeria monocytogenes -> penincilline/amoxicillien + gentamicine neonatale meningitis (E. Coli/ groep B streptokokken) -> gentamicine + cefotacime/ceftriaxon tuberculose meningitis -> isoniazide/rifampicine/pyrozinamide

  41. Urineweginfecties

    maatschappelijk: staphylococcus epidermidis, aureus, saprophyticus en enterococcus faecalis nosomiaal: cirobactor, klebsiella, enterobactor, proteus, pseudomonas auruginosa behandeling: co-trimaxozol, trimethroprim, nirofurantoïne, ciprofloxacine, nurfoxacine, afloxacine

  42. bèta-lactam

    blokkeert peptidoglycaansynthese door inhiberen cross-linking (PBP) bèta-lactamase breekt vierkante bèta-lactam ring af door hydrolyse

  43. kruisresistentie

    resistent voor bepaald antibiotica klasse

  44. multiresistentie

    resistent voor meerdere klasses

  45. integron

    stuctuur met meerdere resistentiegenen

  46. resistentiemechanismen

    werkzame locatie aangepast toegang tot werkzame locatie aangepast productie antibiotica-verstorende enzymen

  47. epitoop/ antigene determinant

    plek op antigeen dat door antilichaam wordt herkend

  48. Paratoop

    deel op antilichaam dat aan epitoop bindt

  49. polyvalentie

    meerdere identieke determinanten aanwezig op 1 antigeen

  50. lichte ketens zijn of labda of kappa en zijn er voor de stuctuur

  51. zware ketens zijn mu, delta, gamma, epsilon of alfa en zijn er voor de functie

  52. functie: IgE

    activatie mestcellen en eosonofiele granulocyten

  53. functie IgG en IgD

    neutralisatie, opsonisatie, activering complementsysteem en ADCC (inhoud NK-cellen komt vrij)

  54. functie IgA

    mucosale afweer

  55. functie IgM

    complementactivatie, neutralisatie en agglutinatie

  56. membraangebonden vs. uitgescheiden antilichamen

    oppervlak B-lymfocyten vs. circulatie stimuleert productie van plasmacellen vs. worden gevormd door plasmacellen

  57. Levensduur antilichamen (halfwaardetijd -dagen)

    IgA: 6 IgD: 3 IgE: 2 IgG: 23 (want bindt aan FcRn) IgM: 5

  58. Functies FcRn (neonatale Fc-receptor)

    voorkomen snelle afbraak IgG antilichamentransport darmen -> circulatie antilichamentransport moeder -> foetus IgG transport bloed -> bindweefsel

  59. TCR heeft een alfa en een bèta-keten

  60. CD4+

    T-helpercellen MHC klasse II exogene antigenen activatie andere cellen door cytokinen

  61. CD8+

    Cytotoxische T-cellen MHC klasse I endogene antigenen cytotoxische granules -> apoptose

  62. MHC groeve

    klasse I alleen alfa-keten klasse II ook bèta keten

  63. MHC klasse I

    alle cellen met kern HLA-A, B en C presentatie aan CD8+

  64. MHC klasse II

    cellen van immuunsysteem dendritische cellen: antigeenpresentatie monocyten/macrofagen en B-cellen: hulp vragen HLA-DP, DQ, DR presentatie aan CD4+

  65. Antigeen processing MHC klasse I

    eiwit in stukjes door proteasoom -> peptides naar ER -> TAP produceerd naar in ER -> binden peptide aan MHC -> presentatie op buitenmembraan

  66. Antigeen processing MHC klasse II

    endocytose van extracellulaire eiwit -> eiwit in stukjes door endosoom -> lysosoom ER maakt MHC + invariant chain (met clip in groeve) -> blaasje wordt gevormd lysosoom + blaasje versmelten -> pH veranderd -> clip verdwijnt -> peptide op groeve -> presentatie op buitenmembraan

  67. Algemene eigenschappen MHC-moleculen

    1 peptide per groeve grote affiniteit en brede specificiteit peptiden binden snel en laten langzaam los lege MHC-moleculen zijn instabiel -> hergebruikt -> altijd bezet alleen peptides kunnen gepresenteerd worden

  68. Bouwplan virussen

    naakt (capsomeren) enveloped

  69. Classificatie virussen

    Baltimore I: dsDNA II: ssDNA III: dsRNA IV: +ssRNA V: -ssRNA VI: ssRNA-Rt VII: dsRNA-Rt

  70. Opname Virus

    attachment -> penetratie -> uncoating

  71. mRNA-synthese

    'plus'-strand: kan gebruikt worden als mRNA 'minus'-strand: kan gebruikt worden als template voor mRNA retrovirus: +ssRNA -> -ssDNA -> dsDNA -> gastcelkern -> mRNA (eerste omzetting door reverse transcriptase)

  72. virale eiwitsynthese

    in cytoplasma door gebruik van gastheerribosomen

  73. virale assembly

    in cytoplasma of celkern

  74. virale release naakt enveloped

    door exocytose mRNA codeert ook voor glycoproteïnen en matrix -> die vormen een envelopje

  75. Bacteriën scheiden toxines uit en dringen weefsels binnen. Schimmels scheiden toxines uit. Virussen gebruiken cellen voor replicatie.

  76. Hepatitis B

    DNA-virus behandeling: entecavir of tenofovir (onderdrukken verschijnselen)

  77. Hepatitis A

    RNA-virus behandeling: INF-alfa + ribavirine (genezing)

  78. transmissievormen

    druppelinfectie, contactinfectie, vectoroverdracht

  79. Interne transmissie

    verplaatsing naar secundaire transmissieplek

  80. viremie

    transport van virussen door bloed

  81. secundaire viremie

    transport van virussen van bloed naar weefsel

  82. prodromale tijd

    tijd met niet-karakteristieke symptomen (vermoeidheid etc.)

  83. zooönose

    virustransmissie van dier op mens

  84. epidemie vs. pandemie

    uitbraak in bepaalde landstreek vs. wereldwijd

  85. abortieve infectie

    gefaalde infectie

  86. lytische infectie

    gastheercel gaat dood

  87. persistente infectie

    gastheercel gaat niet dood (chronische infectie)

  88. latente infectie

    aanwezig zonder virusproductie (reactiviteit)

  89. PCR (Ct)

    vermeerderen DNA of RNA (hoe hoger de Ct hoe minder virusload)

  90. ELISA

    detecteren en kwantificeren: antilichamen, antigenen, eiwitten en andere moleculen

  91. western blot

    detecteren en kwantificeren van specifieke eiwitten

  92. ELISPOT

    kwantificeren cytokinenproductie

  93. antivirale middelen remmen de replicatie

  94. Oseltamivir

    influenze A en B binnen 48 uur, 2dd voor 5-10 dagen neuramidaseremmer (voorkomen exocytose gerepliceerd virus)

  95. val- antiviraal middel

    orale variant

  96. Aciclovir

    HSV, VZV 5-21 dagen gefosforyleerd in geïnfecteerde gastheercel door thymidine kinase -> remming DNA-polymerase

  97. Ganciclovir

    CMV 14-21 dagen gefosforyleerd in geïnfecteerde gastheercel door UL97-kinase -> remming DNA-polymerase

  98. Paxlovid

    SARS-CoV-2 niet gebruiken in ziekenhuis remt 1 van de onderdelen van eiwitsynthese

  99. B-lymfocytenvorming in beenmerg

    lymfoïde progenitor + EBF/E2A/PAX5 -> pro B-cel Pro B-cel + Ig-mu -> pre B-cel (alleen zware keten) -> onrijpe B-cel + IgM

  100. B-lymfocytenvorming in milt

    onrijpe B-cel -> naïve B-cel