Motorisch leren
144 flashcards · Psychology · by Hanne Siebelink
Lange termijn geheugen
- Duur: onbeperkt - Capaciteit: onbeperkt - Codering: abstract 3 subsystemen: - Procedureel geheugen (hoe doe ik het) met procedurele kennis - Semantisch geheugen (representaties) met declaratieve kennis (wat doen/ beschrijvend) - Episodisch geheugen (eigen ervaring) met declaratieve kennis (beschrijvend)
Compatibiliteit
Hoe zijn twee systemen samen te gebruiken (uitwisselbaarheid)
Wet van Hick
Keuze RT = a + b (log2(N)) wanneer het aantal keuzemogelijkheden verdubbelt, neemt de reactietijd toe met een constant aantal milliseconden
Beïnvloedende factoren reactietijd
Langer bij: - hoger aantal keuzemogelijkheden - meer complex - meer nauwkeurig korter bij - grotere voorspelbaarheid (anticipatie) - Stimulus-respons compatibiliteit - Oefening en herhaling
Discriminatie RT
Slechts 1 stimulus uit een reeks is gekoppeld aan een respons die vooraf gekend is (je negeert één aspect en reageert op het andere)
Meervoudige keuze RT
X stimuli – X corresponderende responsen : planning op voorhand is niet mogelijk ➔ je verwerkt het pas op het moment dat je de stimulus krijgt
Enkelvoudige reactietijd
1 stimulus – 1 respons: op voorhand gekend dus er is planning mogelijk ➔ geen RS en RP want je weet meteen welke actie je moet doen
Respons programmering
Hoe moet het motorisch antwoord uitgevoerd worden (spieren, wanneer,….)
Respons selectie
Op basis van de representatie keuzemogelijkheden en selectie van antwoord
Stimulus identificatie
Doet stimulus detectie (staat in contact met geheugen en wordt beïnvloed door helderheid en intensiteit) en patroonherkenning (op zoek naar relevante kenmerken en interne representatie van de stimulus)
Etappes van informatieverwerking
1. je verkrijgt sensorische info 2. stimulus identificatie 3. respons selectie 4. respons programmering 5. actie
Binoculair zicht
Twee ogen
Monoculair zicht
Één oog ➔ geen dieptezicht
Perifeer zicht
Je wil informatie over de omgeving, bewegende ledematen,… 160° verticaal, 200° horizontaal
Centraal zicht
Je wil je concentreren op een object om er informatie over te verkrijgen foveaal – 5°
Bottom-up
Visuele aandacht wordt getrokken naar opvallende kenmerken uit de omgeving (attractieve info bepaald kijkgedrag)
Top down
Visuele aandacht wordt gericht vanuit het doel van de persoon (we zoeken naar bepaalde info)
Oogbewegingsregistratie
Een brilletje registreert waar je je centrum van je zicht plaatst (wanneer en wat)
Event occlusie
Welke informatie ontbreekt: je krijgt alle info buiten 1 belangrijk deel
Temporele occlusie
Wanneer informatie ontbreekt: je krijgt alle info tot op een bepaald tijdstip
Occlusietechnieken
Deel van de visuele info maskeren
Aandacht
Beperkte capaciteit voor informatie-verwerking vanuit sensorische bronnen en geheugen, een serieel proces en vanaf overschrijding is er interferentie
Peesvibratie techniek
Met naald in de pees en trillingen op de pees laten ➔ verstoring van proprioceptieve feedback omdat reksensoren id spierspoeltjes in de war zijn verstoring in controle van geïsoleerde beweging verstoring in inter-ledematen coördinatie
Pressure cuff-techniek
Lang opgepompt laten ➔ arm ‘slaapt’ weinig achteruitgang van de controle van beweging
Sensorische polyneuropathie
Patiënten krijgen enkel sensorische informatie over pijn en temperatuur bij pointing taak met visuele info weinig verschil met gezonde mensen minder nauwkeurig als visuele info wegvalt
Gewrichtsreceptoren
Geven proprioceptieve informatie over inwerkende kracht en angulaire informatie
Spierspoeltjes
Bevinden zich in spieren en geven proprioceptieve informatie over rek in de spiervezels
Golgi-apparaatjes
Bevinden zich in spieren en geven proprioceptieve informatie over spanningsveranderingen
Exproprioceptief
Informatie over positie en beweging via visuele kanaal
Exteroceptief
Informatie over de omgeving (vnml visueel)
Proprioceptief
Verschaft lichaamseigen informatie
Indeling informatie
- Visueel - Auditief - Olfactorisch - Tactiel/proprioceptief - Smaak - vestibulair
Swinging room paradigma
Conflict tussen vestibulair, sensorisch en visueel systeem waarbij visueel systeem dominant is je staat in een kamer met wieltjes en de kamer beweegt naar voor en naar achter en je gaat onbewust mee bewegen want enkel visueel apparaat zal signalen ontvangen!
Affordances
Betekenis van informatie is voor elk individu direct waarneembaar en specifieert direct wat te doen
Directe perceptie
Beperkte cognitieve processen voor analyse van informatie (geen info verwerken)
Extrinsieke coordinatieve structuren
Door oefening of training eigen gemaakt (moeilijk aan te leren)
Intrinsieke coordinatieve structuren
Natuurlijke voorkeur
Coordinatieve structuren
Flexibele eenheid van spieren, gewrichten , neuronen die samenwerken in functie van een doel = functionele eenheid
Attractoren
Stabiel patroon: bij een lichte verstoring keert het systeem terug naar datzelfde coordinatiepatroon
Hysteresis
Van ene naar andere attractor overschakelen overgang van de ene naar de andere attractor
Controleparameter
Parameter die ervoor zorgt dat het systeem overslaat en dat bepaald overgang controleert het systeem
Ordeparameter
Één getal dat beschrijft hoe de beweging eruit ziet beschrijft het systeem
Dynamische systeemtheorie
1. Niet lineariteiten 2. Stabiliteit/attractoren 3. Orde- en controleparameters 4. Zelforganisatie 5. Coordinatieve structuren = kernwoorden die beschrijven hoe de beweging aangestuurd wordt 1. Perceptie actie koppeling 2. Affordances 3. Body-scaled information = hoe info binnenhalen om beweging te sturen
Perifere autonomie
Bepaalde aspecten van de bewegingsuitvoering passen zich zeer onbewust heel goed aan zonder dat we er bewust van zijn
Random conditie
Pas als de beweging al ingezet moet worden krijg je de nodige informatie
Blokconditie
Je kent de nodige informatie al voor het uitvoeren van de handeling
Deafferentiatie experimenten
Blokkeren afferente zenuwbanen (gevoelloos)
Phillippson step cycle
E1: knieextensie tot hielcontact E2: hielcontact tot minimale kniehoeksteun E3: minimale kniehoek tot afstoot F: afstoot tot minimale kniehoek zwaai
Gegeneraliseerd motorisch programma
1 programma voor een klasse van acties ipv 1:1 relatie voor elke variant een handeling behoort tot dezelfde klasse indien ze dezelfde invariantie kenmerken deelt (in zelfde programma opgeslagen): - Dezelfde spiergroepen - Dezelfde volgorde - Dezelfde relatieve timing - Dezelfde relatieve krachtinzet = open closed loop: er is geen onmiddellijke bijsturing maar we verbeteren de volgende uitvoeringen door voorgaande ervaringen deze info wordt verzamelt in een motor response schema
Gesloten lus theorie
Mini-motorisch programma voor de initiatie van de beweging en verdere controle gebeurd via feedback - Initiatie van de actie is gepland - Onmiddellijk daarop wordt de controle overgenomen door evaluatie op basis van feedback - Correctie is mogelijk
Open-lus theorie
Er is een vooraf vastgelegd programma ofwel in het geheugen, ofwel tussen de intentie en uitvoering van de actie - Actie vooraf gepland - Geen terugkoppelingsinformatie - Geen correctie mogelijk
Operationele timing
Er is een identiek programma maar enkel een variabel starttijdstip = open lus variant
Informatietheorestische benadering
Vanuit het controlesysteem wordt een commando gestuurd en dat wordt uitgevoerd waarna er bijsturing/feedback teruggestuurd wordt er moet een plan zijn om iets te kunnen doen
Dualisme
Mens is opgedeeld in lichaam-geest
Coordinatie
Oplossen van probleem van de vrijheidsgraden er zijn zoveel vrijgheidsgraden en toch kom je toch tot de combinatie die jij wenst!
Vrijheidsgraden
Bewegingsmogelijkheden
Co-orde
Hoek-hoek diagram = patroon van bewegingen van lichaam/- ssegmenten ten opzichte van bewegingen van omgeving/- sselementen relatie tussen taak-persoon-omgeving
Index of difficulty
Log2 (2D/W) langere tijdsduur = moeilijkere taak
Fitts’ law
Movement time = a + b log2 (2D/W) ➔ D neemt toe accuraatheid daalt/MT stijgt ➔ W neemt toe accuraatheid stijgt/MT daalt
Voorspelling
Aantonen dat die specifieke variabelen verantwoordelijk zijn voor een bepaald gedrag
Beschrijving
Blootleggen van de belangrijke variabelen in een specifiek gedrag
Theorie
Geheel van regels of concepten
Functionele magnetische resonantie imaging
Dmv magnetisch veld worden waterstofatomen gealigneerd en komt er energie vrij die wordt gedetecteerd via metabole activiteit - niet invasief - hoge spatiele resolutie - ook activiteit dieper gelegen zones (slices maken van de hersenen) - indirect - lage temporele resolutie - duur - voorzorgsmaatregelen
Positron emission tomografie
Je gebruikt energie en nadien gaan chemische processen die energie aanvullen en dat meten we - Hoge spatiele resolutie - Activiteit van dieper gelegen zones ook in kaart brengen - Invasief - Indirecte meting via metabole activiteit - Lage temporele resolutie - Beperkte bewegingsvrijheid - duur
Elektroencephalogram
Capteren wanneer en welke groepen van neuronen iets doen door registratie van voltages - Directe meting (je meet wanneer het neuron actief IS) - Niet invasief - Grote bewegingsvrijheid - Hoge temporele resolutie - Lage spatiële resolutie - Focus op oppervlakkige bronnen van potentialen
Experiment van Scott Kelso
Zelfde coordinatiepatroon onder tijdsdruk blijven uitvoeren (met je vingers en steeds sneller)
Kwalitatief hoek-hoek diagram
Laat zien hoe twee segementen/gewrichten zich tov elkaar gedragen tijdens een actie
Consistentie
Standaarddeviatie
Absolute error
Gemiddelde zonder rekening te houden met richting van de fout
Constant error
Wiskundig gemiddelde
Motor time
Spiercontractie (drempelwaarde overschreden)
Premotor time
Prikkel en eerste elektromyografische activiteit (geen beweging, enkel signaaloverdracht)
Respons time
Reactietijd + movement time
Movement time
Tijd nodig om beweging of actie volledig uit te voeren vanaf de eerste merkbare beweging
Reactietijd
Tijdsverloop tussen signaal en eerste merkbare beweging
Kwantitatieve meting
Beoordelen van het resultaat het product
Kwalitatieve meting
Beoordelen van uitvoering het proces
Intertrial variabiliteit
Ja/nee lokt de omgeving variatie uit?
Regulerende condities
Stationair/bewegend zowel fysieke omgeving als andere spelers/tegenstanders
Seriele taak
Herhalen en het heeft een einde
Discrete taak
Activiteit eindigt
Continu/repititieve taak
Veel herhaling
Open taak
Afhankelijk van de omgeving
Gesloten taak
Je beslist alles zelf, geen invloed van onverwachte dingen
Interferentie
Zaken tesamen doen capaciteitsinterferentie: hersenen kunnen niet zo veel aan structurele interferentie: lichaam kan niet twee verschillende zaken tegelijk doen (schakelen en radio verzetten gaat niet)
Vaardigheidscomponenten
1. Posturale componenten 2. Locomotorische componenten/ transportcomponenten 3. Manipulatiecomponenten
Vaardigheidsprocessen
1. Waarnemen relevantie informatie = stimulus identificatie 2. Beslissen: wat doen en hoe = respons selectie en respondse programmering 3. Productie van georganiseerde spieractiviteit = respons uitvoering
Taakanalyse
Opsplitsen van een vaardigheid in verschillende deelbewegingen en van daaruit de noodzakelijke abilities afleiden