Motorisch leren

276 flashcards · Other · by Hanne Siebelink

  1. Vrijheidsgraden

    Bewegingsmogelijkheden

  2. Coordinatie

    Oplossen van probleem van de vrijheidsgraden  er zijn zoveel vrijgheidsgraden en toch kom je toch tot de combinatie die jij wenst!

  3. Seriele taak

    Herhalen en het heeft een einde

  4. Respons programmering

    Hoe moet het motorisch antwoord uitgevoerd worden (spieren, wanneer,….)

  5. Temporele occlusie

    Wanneer informatie ontbreekt: je krijgt alle info tot op een bepaald tijdstip

  6. Occlusietechnieken

    Deel van de visuele info maskeren

  7. Optimale timing

    Timing moet aangepast zijn aan situatie (is niet beste snelheid)

  8. Peesvibratie techniek

    Met naald in de pees en trillingen op de pees laten ➔ verstoring van proprioceptieve feedback omdat reksensoren id spierspoeltjes in de war zijn  verstoring in controle van geïsoleerde beweging  verstoring in inter-ledematen coördinatie

  9. Dualisme

    Mens is opgedeeld in lichaam-geest

  10. Ability

    Persoonlijke en relatief stabiele eigenschap die de onderbouw vormt van iemands potentieel voor een specifieke taak

  11. Exproprioceptief

    Informatie over positie en beweging via visuele kanaal

  12. Respons time

    Reactietijd + movement time

  13. Movement time

    Tijd nodig om beweging of actie volledig uit te voeren vanaf de eerste merkbare beweging

  14. Korte termijn sensorische

    - Duur: zeer kort (250ms)

  15. opslagplaats

    - Capaciteit: onbeperkt - Letterlijke opslag - Geen rol in bewegingscontrole - Via selectieve aandacht verbinding naar korte termijn geheugen

  16. Korte termijn geheugen

    = working memory (andere 2 zijn tijdelijke opslagplaatsen) - Duur: 20-30 sec – 2min - Capaciteit: 7 +/- 2 units - Codering: abstracter

  17. Blokconditie

    Je kent de nodige informatie al voor het uitvoeren van de handeling

  18. Deafferentiatie experimenten

    Blokkeren afferente zenuwbanen (gevoelloos)

  19. Phillippson step cycle

    E1: knieextensie tot hielcontact E2: hielcontact tot minimale kniehoeksteun E3: minimale kniehoek tot afstoot F: afstoot tot minimale kniehoek zwaai

  20. Chunking

    Je probeert de 7 losstaande units met elkaar te verbinden om het beter te onthouden

  21. Anticipatie

    Reageren vooraleer het mogelijk is om een prikkel volledig te verwerken en te integreren in een motorisch antwoord

  22. Lange termijn geheugen

    - Duur: onbeperkt - Capaciteit: onbeperkt - Codering: abstract 3 subsystemen: - Procedureel geheugen (hoe doe ik het) met procedurele kennis - Semantisch geheugen (representaties) met declaratieve kennis (wat doen/ beschrijvend) - Episodisch geheugen (eigen ervaring) met declaratieve kennis (beschrijvend)

  23. Postural sway

    Rechtstaan = continu aanpassen van ons evenwicht door - Strategieën ifv grootte van evenwichtsverstoring 1. Enkelstrategie 2. Heupstrategie 3. Uitvalstrategie - Informatiebronnen 1. Proprioceptief 2. Vestibulair 3. Visueel Controle is op verschillende niveaus  zelfde lokale verstoring maar een verschillende respons  adaptatie van lichaam is onbewust en dynamisch

  24. Anticipatorisch evenwichtsbehoud

    Wanneer je je arm vooruit strekt ➔ al EMG activiteit in dorsale beenspieren als anticipatie op nakende evenwichtsverstoring ➔ Snelle bewegingen: vroegere activatie beenspieren

  25. Opmerking

    Op voeten: je hebt visuele input niet perse nodig op handen: enkel proprioceptie en vestibulaire informatie zijn niet genoeg! Visus ook nodig!

  26. Controletheorie van stappen door sherrington

    Pure generatie van stappen in ruggenmerg  centrale klok = central pattern generator

  27. Gegenereerd motorische programma

    - Temporele invariantie is te toetsen bij ritmische taken bij manipulatie van de snelheid - Imperfectie op gedragsniveau sluit centrale temporele invariantie niet uit

  28. Visuele flow

    Gezichtsveld in dynamisch perspectief = tijdens het stappen of lopen wordt een visuele flow gecreëerd, met een focus of expansion in de richting waarin gelopen wordt  perceptie van visuele flow is gekoppeld aan de voortbewegingssnelheid  voorkeurwandelsnelheid wordt gekoppeld aan visuele flow

  29. Reactietijd

    Tijdsverloop tussen signaal en eerste merkbare beweging

  30. Open taak

    Afhankelijk van de omgeving

  31. Aandacht

    Beperkte capaciteit voor informatie-verwerking vanuit sensorische bronnen en geheugen, een serieel proces en vanaf overschrijding is er interferentie

  32. Continu/repititieve taak

    Veel herhaling

  33. Discrete taak

    Activiteit eindigt

  34. Motor ability

    Persoonlijke en relatief stabiele eigenschap die de onderbouw vormt van iemands potentieel voor een specifiek motorische taak

  35. Pressure cuff-techniek

    Lang opgepompt laten ➔ arm ‘slaapt’  weinig achteruitgang van de controle van beweging

  36. Sensorische polyneuropathie

    Patiënten krijgen enkel sensorische informatie over pijn en temperatuur  bij pointing taak met visuele info weinig verschil met gezonde mensen  minder nauwkeurig als visuele info wegvalt

  37. Gewrichtsreceptoren

    Geven proprioceptieve informatie over inwerkende kracht en angulaire informatie

  38. All-round performers

    Goed in alles wat met motorisch gedrag te maken heeft

  39. Spierspoeltjes

    Bevinden zich in spieren en geven proprioceptieve informatie over rek in de spiervezels

  40. Golgi-apparaatjes

    Bevinden zich in spieren en geven proprioceptieve informatie over spanningsveranderingen

  41. Informatietheorestische benadering

    Vanuit het controlesysteem wordt een commando gestuurd en dat wordt uitgevoerd waarna er bijsturing/feedback teruggestuurd wordt  er moet een plan zijn om iets te kunnen doen

  42. Operationele timing

    Er is een identiek programma maar enkel een variabel starttijdstip = open lus variant

  43. Exteroceptief

    Informatie over de omgeving (vnml visueel)

  44. Proprioceptief

    Verschaft lichaamseigen informatie

  45. Indeling informatie

    - Visueel - Auditief - Olfactorisch - Tactiel/proprioceptief - Smaak - vestibulair

  46. All-round learners

    Makkelijk nieuwe handelingen aanleren

  47. General motor ability

    Alle abilities zijn sterk gerelateerd aan elkaar en reflecteren in feite 1 onderliggende eigenschap (gen?)  niet deze theorie

  48. Specific motor ability

    Alle abilities zijn niet of nauwelijks met elkaar gerelateerd  deze theorie klopt

  49. Skill/vaardigheid

    Gevolg van oefening, plastisch door oefening, theoretisch onbeperkt en gebaseerd op abilities

  50. Ability/eigenschap

    Genetisch bepaald, stabiel en blijvend, beperkt aantal en basis voor vaardigheden

  51. Swinging room paradigma

    Conflict tussen vestibulair, sensorisch en visueel systeem waarbij visueel systeem dominant is  je staat in een kamer met wieltjes en de kamer beweegt naar voor en naar achter en je gaat onbewust mee bewegen want enkel visueel apparaat zal signalen ontvangen!

  52. Flessenhalsprincipe

    Je kan veel info opnemen maar uit de hals van de fles kan er slechts één respons per keer komen

  53. Body scaled information

    Affordance wordt mee bepaald door de eigen lichaamskarakteristieken en mogelijkheden

  54. Affordances

    Betekenis van informatie is voor elk individu direct waarneembaar en specifieert direct wat te doen

  55. Directe perceptie

    Beperkte cognitieve processen voor analyse van informatie (geen info verwerken)

  56. Extrinsieke coordinatieve structuren

    Door oefening of training eigen gemaakt (moeilijk aan te leren)

  57. Intrinsieke coordinatieve structuren

    Natuurlijke voorkeur

  58. All-round atleet

    Beschikt over een groot aantal abilities die op hoog niveau aanwezig zijn

  59. Perceptual motor abilities

    Perceptie  vb = oog-hand coordinatie

  60. Productie-units

    Automatische koppeling van een motorisch antwoord aan een specifieke prikkel

  61. Coordinatieve structuren

    Flexibele eenheid van spieren, gewrichten , neuronen die samenwerken in functie van een doel = functionele eenheid

  62. Physical abilities

    Lichamelijke vaardigheden  vb = rompkracht, dynamische kracht,…

  63. Attractoren

    Stabiel patroon: bij een lichte verstoring keert het systeem terug naar datzelfde coordinatiepatroon

  64. Hysteresis

    Van ene naar andere attractor overschakelen  overgang van de ene naar de andere attractor

  65. Controleparameter

    Parameter die ervoor zorgt dat het systeem overslaat en dat bepaald overgang  controleert het systeem

  66. Respons selectie

    Op basis van de representatie  keuzemogelijkheden en selectie van antwoord

  67. Interferentie

    Zaken tesamen doen  capaciteitsinterferentie: hersenen kunnen niet zo veel aan  structurele interferentie: lichaam kan niet twee verschillende zaken tegelijk doen (schakelen en radio verzetten gaat niet)

  68. Kwantitatieve meting

    Beoordelen van het resultaat  het product

  69. Kwalitatieve meting

    Beoordelen van uitvoering  het proces

  70. Gegeneraliseerd motorisch programma

    1 programma voor een klasse van acties ipv 1:1 relatie voor elke variant  een handeling behoort tot dezelfde klasse indien ze dezelfde invariantie kenmerken deelt (in zelfde programma opgeslagen): - Dezelfde spiergroepen - Dezelfde volgorde - Dezelfde relatieve timing - Dezelfde relatieve krachtinzet = open closed loop: er is geen onmiddellijke bijsturing maar we verbeteren de volgende uitvoeringen door voorgaande ervaringen  deze info wordt verzamelt in een motor response schema

  71. Elektroencephalogram

    Capteren wanneer en welke groepen van neuronen iets doen door registratie van voltages - Directe meting (je meet wanneer het neuron actief IS) - Niet invasief - Grote bewegingsvrijheid - Hoge temporele resolutie - Lage spatiële resolutie - Focus op oppervlakkige bronnen van potentialen

  72. Experiment van Scott Kelso

    Zelfde coordinatiepatroon onder tijdsdruk blijven uitvoeren (met je vingers en steeds sneller)

  73. Kwalitatief hoek-hoek diagram

    Laat zien hoe twee segementen/gewrichten zich tov elkaar gedragen tijdens een actie

  74. Open-lus theorie

    Er is een vooraf vastgelegd programma ofwel in het geheugen, ofwel tussen de intentie en uitvoering van de actie - Actie vooraf gepland - Geen terugkoppelingsinformatie - Geen correctie mogelijk

  75. Gesloten lus theorie

    Mini-motorisch programma voor de initiatie van de beweging en verdere controle gebeurd via feedback - Initiatie van de actie is gepland - Onmiddellijk daarop wordt de controle overgenomen door evaluatie op basis van feedback - Correctie is mogelijk

  76. Consistentie

    Standaarddeviatie

  77. Stroop effect

    Kleur en betekenis komen parallel binnen indien discrepant ➔ verwarring en langere RT

  78. Ordeparameter

    Één getal dat beschrijft hoe de beweging eruit ziet  beschrijft het systeem

  79. Dynamische systeemtheorie

    1. Niet lineariteiten 2. Stabiliteit/attractoren 3. Orde- en controleparameters 4. Zelforganisatie 5. Coordinatieve structuren = kernwoorden die beschrijven hoe de beweging aangestuurd wordt 1. Perceptie actie koppeling 2. Affordances 3. Body-scaled information = hoe info binnenhalen om beweging te sturen

  80. Perifere autonomie

    Bepaalde aspecten van de bewegingsuitvoering passen zich zeer onbewust heel goed aan zonder dat we er bewust van zijn

  81. Intertrial variabiliteit

    Ja/nee  lokt de omgeving variatie uit?

  82. Cocktail party problem

    Meestal wel reageren op een bekende prikkel ook als er niet specifiek naar geluisterd wordt

  83. Random conditie

    Pas als de beweging al ingezet moet worden krijg je de nodige informatie

  84. Taakanalyse

    Opsplitsen van een vaardigheid in verschillende deelbewegingen en van daaruit de noodzakelijke abilities afleiden

  85. Vaardigheidsprocessen

    1. Waarnemen relevantie informatie = stimulus identificatie 2. Beslissen: wat doen en hoe = respons selectie en respondse programmering 3. Productie van georganiseerde spieractiviteit = respons uitvoering

  86. Vaardigheidscomponenten

    1. Posturale componenten 2. Locomotorische componenten/ transportcomponenten 3. Manipulatiecomponenten

  87. Absolute error

    Gemiddelde zonder rekening te houden met richting van de fout

  88. Regulerende condities

    Stationair/bewegend  zowel fysieke omgeving als andere spelers/tegenstanders