Motorisch leren echt

207 flashcards · Psychology · by Hanne Siebelink

  1. Kwalitatieve feedback

    Informatie over het hoe van de actie  meestal bij gevorderde

  2. Motorische Controle en leren (Universiteit Gent)

  3. Studocu is not sponsored or endorsed by any college or university

  4. Definitie

  5. controle

    Geheel van processen die ervoor zorgen dat een intentie tot handelen ook effectief in die handeling wordt omgezet

  6. Leren

    De veranderingen in deze processen tijdens het systematisch oefenen van een handeling

  7. Ontwikkeling

    Veranderingen in deze processen door natuurlijke ontwikkeling

  8. Motorische vaardigheid (motor skill) / handeling (action)

    Geheel van bewegingen van lichaamsdelen die bewuste en doelgericht uitgevoerd worden en aangeleerd zijn

  9. Beweging

    Deelcomponente van vaardigheid en kan op verschillende manieren tot dezelfde vaardigheid leiden

  10. Doelgericht

    Omzetten van een intentie in een succesvolle actie

  11. Consistent

    Systematisch reproduceerbaar

  12. Efficiënt

    Minimaal energieverbruik zowel fysiek als mentaal

  13. Optimale timing

    Timing moet aangepast zijn aan situatie (is niet beste snelheid)

  14. Ability

    Persoonlijke en relatief stabiele eigenschap die de onderbouw vormt van iemands potentieel voor een specifieke taak

  15. Motor ability

    Persoonlijke en relatief stabiele eigenschap die de onderbouw vormt van iemands potentieel voor een specifiek motorische taak

  16. All-round performers

    Goed in alles wat met motorisch gedrag te maken heeft

  17. All-round learners

    Makkelijk nieuwe handelingen aanleren

  18. General motor ability

    Alle abilities zijn sterk gerelateerd aan elkaar en reflecteren in feite 1 onderliggende eigenschap (gen?)  niet deze theorie

  19. Specific motor ability

    Alle abilities zijn niet of nauwelijks met elkaar gerelateerd  deze theorie klopt

  20. Skill/vaardigheid

    Gevolg van oefening, plastisch door oefening, theoretisch onbeperkt en gebaseerd op abilities

  21. Ability/eigenschap

    Genetisch bepaald, stabiel en blijvend, beperkt aantal en basis voor vaardigheden

  22. All-round atleet

    Beschikt over een groot aantal abilities die op hoog niveau aanwezig zijn

  23. Perceptual motor abilities

    Perceptie  vb = oog-hand coordinatie

  24. Physical abilities

    Lichamelijke vaardigheden  vb = rompkracht, dynamische kracht,…

  25. Taakanalyse

    Opsplitsen van een vaardigheid in verschillende deelbewegingen en van daaruit de noodzakelijke abilities afleiden

  26. Vaardigheidsprocessen

    1. Waarnemen relevantie informatie = stimulus identificatie 2. Beslissen: wat doen en hoe = respons selectie en respondse programmering 3. Productie van georganiseerde spieractiviteit = respons uitvoering

  27. Vaardigheidscomponenten

    1. Posturale componenten 2. Locomotorische componenten/ transportcomponenten 3. Manipulatiecomponenten

  28. Gesloten taak

    Je beslist alles zelf, geen invloed van onverwachte dingen

  29. Open taak

    Afhankelijk van de omgeving

  30. Continu/repititieve taak

    Veel herhaling

  31. Discrete taak

    Activiteit eindigt

  32. Seriele taak

    Herhalen en het heeft een einde

  33. Regulerende condities

    Stationair/bewegend  zowel fysieke omgeving als andere spelers/tegenstanders

  34. Intertrial variabiliteit

    Ja/nee  lokt de omgeving variatie uit?

  35. Kwalitatieve meting

    Beoordelen van uitvoering  het proces

  36. Kwantitatieve meting

    Beoordelen van het resultaat  het product

  37. Reactietijd

    Tijdsverloop tussen signaal en eerste merkbare beweging

  38. Movement time

    Tijd nodig om beweging of actie volledig uit te voeren vanaf de eerste merkbare beweging

  39. Respons time

    Reactietijd + movement time

  40. Premotor time

    Prikkel en eerste elektromyografische activiteit (geen beweging, enkel signaaloverdracht)

  41. Motor time

    Spiercontractie (drempelwaarde overschreden)

  42. Constant error

    Wiskundig gemiddelde

  43. Experiment van Scott Kelso

    Zelfde coordinatiepatroon onder tijdsdruk blijven uitvoeren (met je vingers en steeds sneller)

  44. Elektroencephalogram

    Capteren wanneer en welke groepen van neuronen iets doen door registratie van voltages - Directe meting (je meet wanneer het neuron actief IS) - Niet invasief - Grote bewegingsvrijheid - Hoge temporele resolutie - Lage spatiële resolutie - Focus op oppervlakkige bronnen van potentialen

  45. Positron emission tomografie

    Je gebruikt energie en nadien gaan chemische processen die energie aanvullen en dat meten we - Hoge spatiele resolutie - Activiteit van dieper gelegen zones ook in kaart brengen - Invasief - Indirecte meting via metabole activiteit - Lage temporele resolutie - Beperkte bewegingsvrijheid - duur

  46. Functionele magnetische resonantie imaging

    Dmv magnetisch veld worden waterstofatomen gealigneerd en komt er energie vrij die wordt gedetecteerd via metabole activiteit - niet invasief - hoge spatiele resolutie - ook activiteit dieper gelegen zones (slices maken van de hersenen) - indirect - lage temporele resolutie - duur - voorzorgsmaatregelen

  47. Theorie

    Geheel van regels of concepten

  48. Beschrijving

    Blootleggen van de belangrijke variabelen in een specifiek gedrag

  49. Voorspelling

    Aantonen dat die specifieke variabelen verantwoordelijk zijn voor een bepaald gedrag

  50. Fitts’ law

    Movement time = a + b log2 (2D/W) ➔ D neemt toe  accuraatheid daalt/MT stijgt ➔ W neemt toe  accuraatheid stijgt/MT daalt

  51. Index of difficulty

    Log2 (2D/W)  langere tijdsduur = moeilijkere taak

  52. Co-orde

    Hoek-hoek diagram = patroon van bewegingen van lichaam/- ssegmenten ten opzichte van bewegingen van omgeving/- sselementen  relatie tussen taak-persoon-omgeving

  53. Vrijheidsgraden

    Bewegingsmogelijkheden

  54. Coordinatie

    Oplossen van probleem van de vrijheidsgraden  er zijn zoveel vrijgheidsgraden en toch kom je toch tot de combinatie die jij wenst!

  55. Dualisme

    Mens is opgedeeld in lichaam-geest

  56. Informatietheorestische benadering

    Vanuit het controlesysteem wordt een commando gestuurd en dat wordt uitgevoerd waarna er bijsturing/feedback teruggestuurd wordt  er moet een plan zijn om iets te kunnen doen

  57. Operationele timing

    Er is een identiek programma maar enkel een variabel starttijdstip = open lus variant

  58. Open-lus theorie

    Er is een vooraf vastgelegd programma ofwel in het geheugen, ofwel tussen de intentie en uitvoering van de actie - Actie vooraf gepland - Geen terugkoppelingsinformatie - Geen correctie mogelijk

  59. Gesloten lus theorie

    Mini-motorisch programma voor de initiatie van de beweging en verdere controle gebeurd via feedback - Initiatie van de actie is gepland - Onmiddellijk daarop wordt de controle overgenomen door evaluatie op basis van feedback - Correctie is mogelijk

  60. Gegeneraliseerd motorisch programma

    1 programma voor een klasse van acties ipv 1:1 relatie voor elke variant  een handeling behoort tot dezelfde klasse indien ze dezelfde invariantie kenmerken deelt (in zelfde programma opgeslagen): - Dezelfde spiergroepen - Dezelfde volgorde - Dezelfde relatieve timing - Dezelfde relatieve krachtinzet = open closed loop: er is geen onmiddellijke bijsturing maar we verbeteren de volgende uitvoeringen door voorgaande ervaringen  deze info wordt verzamelt in een motor response schema

  61. Phillippson step cycle

    E1: knieextensie tot hielcontact E2: hielcontact tot minimale kniehoeksteun E3: minimale kniehoek tot afstoot F: afstoot tot minimale kniehoek zwaai

  62. Deafferentiatie experimenten

    Blokkeren afferente zenuwbanen (gevoelloos)

  63. Blokconditie

    Je kent de nodige informatie al voor het uitvoeren van de handeling

  64. Random conditie

    Pas als de beweging al ingezet moet worden krijg je de nodige informatie

  65. Perifere autonomie

    Bepaalde aspecten van de bewegingsuitvoering passen zich zeer onbewust heel goed aan zonder dat we er bewust van zijn

  66. Dynamische systeemtheorie

    1. Niet lineariteiten 2. Stabiliteit/attractoren 3. Orde- en controleparameters 4. Zelforganisatie 5. Coordinatieve structuren = kernwoorden die beschrijven hoe de beweging aangestuurd wordt 1. Perceptie actie koppeling 2. Affordances 3. Body-scaled information = hoe info binnenhalen om beweging te sturen

  67. Ordeparameter

    Één getal dat beschrijft hoe de beweging eruit ziet  beschrijft het systeem

  68. Controleparameter

    Parameter die ervoor zorgt dat het systeem overslaat en dat bepaald overgang  controleert het systeem

  69. Hysteresis

    Van ene naar andere attractor overschakelen  overgang van de ene naar de andere attractor

  70. Attractoren

    Stabiel patroon: bij een lichte verstoring keert het systeem terug naar datzelfde coordinatiepatroon

  71. Coordinatieve structuren

    Flexibele eenheid van spieren, gewrichten , neuronen die samenwerken in functie van een doel = functionele eenheid

  72. Intrinsieke coordinatieve structuren

    Natuurlijke voorkeur

  73. Extrinsieke coordinatieve structuren

    Door oefening of training eigen gemaakt (moeilijk aan te leren)

  74. Affordances

    Betekenis van informatie is voor elk individu direct waarneembaar en specifieert direct wat te doen

  75. Body scaled information

    Affordance wordt mee bepaald door de eigen lichaamskarakteristieken en mogelijkheden

  76. Swinging room paradigma

    Conflict tussen vestibulair, sensorisch en visueel systeem waarbij visueel systeem dominant is  je staat in een kamer met wieltjes en de kamer beweegt naar voor en naar achter en je gaat onbewust mee bewegen want enkel visueel apparaat zal signalen ontvangen!

  77. Indeling informatie

    - Visueel - Auditief - Olfactorisch - Tactiel/proprioceptief - Smaak - vestibulair

  78. Proprioceptief

    Verschaft lichaamseigen informatie

  79. Exteroceptief

    Informatie over de omgeving (vnml visueel)

  80. Exproprioceptief

    Informatie over positie en beweging via visuele kanaal

  81. Golgi-apparaatjes

    Bevinden zich in spieren en geven proprioceptieve informatie over spanningsveranderingen

  82. Spierspoeltjes

    Bevinden zich in spieren en geven proprioceptieve informatie over rek in de spiervezels

  83. Gewrichtsreceptoren

    Geven proprioceptieve informatie over inwerkende kracht en angulaire informatie

  84. Sensorische polyneuropathie

    Patiënten krijgen enkel sensorische informatie over pijn en temperatuur  bij pointing taak met visuele info weinig verschil met gezonde mensen  minder nauwkeurig als visuele info wegvalt

  85. Pressure cuff-techniek

    Lang opgepompt laten ➔ arm ‘slaapt’  weinig achteruitgang van de controle van beweging

  86. Peesvibratie techniek

    Met naald in de pees en trillingen op de pees laten ➔ verstoring van proprioceptieve feedback omdat reksensoren id spierspoeltjes in de war zijn  verstoring in controle van geïsoleerde beweging  verstoring in inter-ledematen coördinatie

  87. Occlusietechnieken

    Deel van de visuele info maskeren

  88. Temporele occlusie

    Wanneer informatie ontbreekt: je krijgt alle info tot op een bepaald tijdstip

  89. Event occlusie

    Welke informatie ontbreekt: je krijgt alle info buiten 1 belangrijk deel

  90. Oogbewegingsregistratie

    Een brilletje registreert waar je je centrum van je zicht plaatst (wanneer en wat)

  91. Top down

    Visuele aandacht wordt gericht vanuit het doel van de persoon (we zoeken naar bepaalde info)

  92. Bottom-up

    Visuele aandacht wordt getrokken naar opvallende kenmerken uit de omgeving (attractieve info bepaald kijkgedrag)

  93. Centraal zicht

    Je wil je concentreren op een object om er informatie over te verkrijgen  foveaal – 5°

  94. Perifeer zicht

    Je wil informatie over de omgeving, bewegende ledematen,…  160° verticaal, 200° horizontaal

  95. Monoculair zicht

    Één oog ➔ geen dieptezicht

  96. Binoculair zicht

    Twee ogen

  97. Etappes van informatieverwerking

    1. je verkrijgt sensorische info 2. stimulus identificatie 3. respons selectie 4. respons programmering 5. actie

  98. Stimulus identificatie

    Doet stimulus detectie (staat in contact met geheugen en wordt beïnvloed door helderheid en intensiteit) en patroonherkenning (op zoek naar relevante kenmerken en interne representatie van de stimulus)

  99. Respons selectie

    Op basis van de representatie  keuzemogelijkheden en selectie van antwoord

  100. Respons programmering

    Hoe moet het motorisch antwoord uitgevoerd worden (spieren, wanneer,….)