Latijn
Dit zijn normaalgezien alle woordjes VANAF caput 4
191 flashcards · Other · by Ella Brennan
legatus
legati de gezant/de onderbevelhebber
ludus
ludi het spel/ de school
populus
populi het volk
imperator
imperator-is m. de opperbevelhebber
sol
sol-is m. de zon
legio
legion-is v. het legioen
pax
pac-is v. de vrede
ius
iur-is o. het recht
munus
muner-is o. de taak / het geschenk
nudus
~a ~um naakt/ beroofd van
exitare
excito (op)wekken
imperare
impero bevelen/ opeisen
mandare
mando toevertrouwen/ opdragen
portare
porto dragen
solere
soleo gewoon zijn
vincire
vincio binden/boeien
fere
(bijwoord) bijna/meestal
ubi
(voegwoord) toen/wanneer
puer
pueri de jongen
liberi
liberorum de kinderen
vir
viri de man
ager
agri het veld
liber s
libri het boek
magister
magistri de meester
liber a
libera, liberum vrij
miser
misera, miserum ongelukkig
aeger
aegra, aegrum ziek
niger
nigra, nigrum zwart
pulcher
pulchra, pulchrum mooi
sacer
sacra, sacrum heilig/ geweid
noster
nostra, nostrum ons/ onze
vester
vestra, vestrum jullie
cibus
cibi het voedsel
gloria
gloriae de roem
pugna
pugnae het gevecht
victoria
victoriae de overwinning
beneficium
beneficii de weldaad
maximus
~a,~um zeer groot, grootste
laudare
laudo prijzen
nuntiare
nuntio melden
optare
opto wensen
parere
pareo gehoorzamen
praebere
praebeo aanbieden
quis?
(vragend vnw.) wie?
quid?
(vragend vnw.) wat?
puella
puellae het meisje
notus
~a ~um bekend
verus
~a ~um waar, echt
temptare
tempto proberen/ op proef stellen
ardere
ardeo branden
iacere
iaceo liggen
placere
placeo bevallen/aanstaan
cito
(bijwoord) snel
quo?
(bijwoord) waarheen?
ergo
(voegwoord) dus
oculus
oculi het oog
auxilium
auxilii de hulp
bracchium
bracchii de arm
verbum
verbi het woord
auris
aur-is v het oor
dūrus
~a, ~um hard
maestus
~a, ~um treurig
vīvus
~a, ~um levend
ōrāre
ōrō bidden; smeken
maerēre
maereō treuren
locus
locī de plaats; de gelegenheid
rāmus
rāmī de tak
causa
causae de oorzaak; de reden; het proces (Het proces over die moordzaak duurde drie weken)
cēna
cēnae het avondmaal
hōra
hōrae het uur
vīlla
vīllae de villa; het landgoed
cōnsilium
cōnsiliī het overleg; de raad; het plan
pretium
pretiī de prijs
flōs
flōr-is, m. de bloem
arbor
arbor-is, v. de boom
plēnus
~a, ~um vol
invītāre
invītō uitnodigen
haerēre
haereō vastzitten
mēnsa
mēnsae de tafel
nāvis
nāv-is, v. het schip
cupidus
~a, ~um vol verlangen naar
mīrus
~a, ~um wonderlijk
nūllus
~a, ~um geen
paucī
~ae, ~a weinig; enkele
agere
agō (voort)drijven; doen
bibere
bibō drinken
cognōscere
cognōscō leren kennen; vernemen
dēsinere
dēsinō ophouden
dīcere
dīcō zeggen; spreken; noemen
emere
emō kopen
intellegere
intellegō begrijpen
legere
legō lezen; kiezen; verzamelen
ostendere
ostendō tonen
quaerere
quaerō zoeken; vragen
sūmere
sūmō nemen
vendere
vendō verkopen
vīvere
vīvō leven
hospes
hospit-is, m. de gast; de gastheer
pōns
pont-is, m. de brug
aestās
aestāt-is, v. de zomer