Voorrang verlenen in verkeerssituaties

9 flashcards · Other · by LFX Broersma

  1. Welke 3 voorrangsregels zijn er?

    Geef op een gelijkwaardige weg altijd voorrang aan de bestuurders van rechts Rechtdoorgaand verkeer op dezelfde weg gaat voor afslaand verkeer Korte bocht gaat voor lange bocht

  2. Welke voorrangsregel is er bij een tram?

    Een tram altijd voorrang, behalve bij dieren (haaientanden en zebrapaden)

  3. Welke twee regels gelden bij voorrang verlenen met een tegenligger, wanneer beide dezelfde verkeerstekens en borden hebben?

    Korte bocht gaat voor lange bocht Rechtdoorgaand verkeer op dezelfde weg gaat voor afslaand verkeer

  4. Welke 3 vragen stel je bij voetgangers voor laten gaan?

    Zie je de voorkant --> ja Zie je de achterkant --> ja Zie de zijkant --> nee

  5. Bij welke drie borden moet je voetgangers voor laten gaan?

  6. Wat zijn de voorrangsregels op een onverharde weg?

    Als je op een onverharde weg rijdt, moet je aan alle bestuurders van een verharde weg voorrang geven

  7. Wie zijn zielige voetgangers

    Voetgangers met een stok, looprek of rollator Geen rolstoel

  8. Wanneer wilt een voetganger met een stok oversteken?

    Als de stok in de lucht is Stok moet rode ringen hebben

  9. Wat is een gelijkwaardige weg/kruising

    Altijd geldt: geeft voorrang aan de bestuurders vanaf rechts Voorrang wordt niet geregeld door: verkeerslichten, verkeersborden en verkeerstekens