Tour 2 étape 1

56 flashcards · French · by Rojin Boyaci

  1. een sticker

    un autocollant

  2. een brievenbus

    une boite aux lettres

  3. een kartonnen doos

    une boite en carton

  4. een (online) catalogus

    un catalogue (en ligne)

  5. een schenking, gift

    un don

  6. een uitwisseling

    un échange

  7. een rek

    une étagère

  8. de werking, het functioneren

    le fonctionnement

  9. een (lampen) slinger

    une guirlande (de lampes)

  10. het materiaal

    le matériel

  11. een voorwerp

    un objet

  12. het delen

    le partage

  13. een pictogram

    un pictogramme

  14. een penseel, verfborstel

    un pinceau

  15. het uitlenen

    un prêt

  16. een wiel

    un roue

  17. een dienst

    un service

  18. een deurbel

    une sonnette

  19. een stofzuiger

    un aspirateur

  20. een (keuken) weegschaal

    un balance (de cuisine)

  21. een ladder

    une échelle

  22. een strijkijzer

    un fer à repasser

  23. een barbecue

    un grill

  24. een zaklamp

    une lampe de poche

  25. een naaimachine

    un machine à coudre

  26. een hamer

    un marteau

  27. een mixer

    un mixeur

  28. een taartvorm

    un moule à gâteau

  29. een (tuin) gereedschap

    un outil (de jardin)

  30. een boormachine

    une perceuse

  31. een fietspomp

    une pompe à vélo

  32. een zaag

    une scie

  33. een fondueset

    un set à fondue

  34. een grasmachine

    une tondeuse(à gazon)

  35. een schroevendraaier

    un tournevis

  36. stom

    bête

  37. stevig

    solide

  38. Zwitsers

    Suisse

  39. plakken

    coller

  40. bestellen

    commander

  41. zich verbinden, verbinding maken

    se connecter

  42. uitwisselen

    échanger

  43. (ont)lenen

    emprunter

  44. aanmoedigen (om)

    encourager (à)

  45. (weg)gooien

    jeter

  46. deelnemen

    participer

  47. delen

    partager

  48. (uit)lenen

    prêter

  49. opruimen

    ranger

  50. visser

    (in elkaar) vijzen

  51. een tak afzagen

    couper une branche

  52. een dienst vragen

    demander un service

  53. een nagel inkloppen

    enfoncer un clou

  54. een band oppompen

    gonfler un pneu

  55. het gras maaien

    tondre le gazon

  56. af en toe

    de temps en temps