Tour 3 étape 2

56 flashcards · French · by Rojin Boyaci

  1. de hulp

    l’aide

  2. een angst

    une angoisse

  3. een verdriet

    un chagrin

  4. een vertrouwelijke mededeling, geheim

    une confidence

  5. een (angst) aanval

    une crise (d’angoisse)

  6. een depressie

    une dépression

  7. de rouw

    le deuil

  8. een job, werk

    un emploi

  9. een evenwicht

    un équilibre

  10. het zelfrespect

    l’estime de soi

  11. een zwakte

    une faiblesse

  12. een gekte, dwaasheid

    une folie

  13. een kracht

    une force

  14. een traan

    une larme

  15. een obstakel, hindernis

    un obstacle

  16. de vrede

    la paix

  17. de paniek

    la panique

  18. een ooglid

    une paupière

  19. een gedachte

    une pensée

  20. de duim

    le pouce

  21. een psycholoog

    un psychologue

  22. de geestelijke gezondheid

    la santé mentale

  23. een scheiding

    une séparation

  24. de slaap

    le sommeil

  25. een behandeling

    un traitement

  26. beangstigend

    angoissant, angoissante

  27. egoïstisch

    égoïste

  28. mentaal, geestelijk

    mental, mentale

  29. doof

    sourd, sourde

  30. blokkeren

    bloquer

  31. in vertrouwen nemen

    se confier à

  32. deprimeren

    déprimer

  33. zich ontspannen

    se détendre

  34. lijden, afzien

    souffrir

  35. stresseren, stress hebben

    stresser

  36. vertrouwen hebben in

    avoir confiance de

  37. hard kloppen

    hard kloppen

  38. (iemand) vertrouwen

    faire confiance à

  39. een fysieke activiteit uitoefenen

    pratiquer une activité (physique)

  40. zorg dragen voor

    prendre soin de

  41. bij

    auprès de

  42. het geluk

    le bonheur

  43. blij

    heureux

  44. de vreugde

    la joie

  45. lachen

    lachen

  46. goed voelen over jezelf

    se sentir bien dans sa peau

  47. ongelukkig

    malheureux

  48. de pijn

    la peine

  49. huilen

    pleurer

  50. een slecht gevoel over jezelf hebben

    een slecht gevoel over jezelf hebben

  51. het ongeluk

    le malheur

  52. de tong

    la longue

  53. het hart

    le coeur

  54. de maag

    l’estomac

  55. de longen

    les poumons

  56. de tanden

    les dents