LT - 451-475
24 flashcards · Other · by Hanne Leysen
manere
maneo, mansi, mansum blijven
miscere
misceo, miscui, mixtum vermengen
solere
soleo, solui, solitum alleen zijn
pollicerei
polliceor, pollicitus sum beloven
agnoscere
agnosco, agnovi, agnitum herkennen; erkennen
edere
edeo, edi, esum eten
fingere
fingeo, finxi, fictum vormen; verzinnen
intermittere
intermitto, intermisi, - onderbreken
petere
peteo, petivi, petitum gaan naar; vragen
tollere
tollo, sustuli, sublatum opheffen; wegnemen
reverti
revertor, revertus sum terugkeren
fugere
fugio, fugi, - (ont)vluchten
interficere
interficio, interfeci, interfectum doden
eo
(bijwoord) daarheen; daardoor
mox
(bijwoord) weldra
prope
(bijwoord) dichtbij
tantum
(bijwoord) zoveel; alleen maar
quantum
(bijwoord) hoeveel; (zoveel) als
una
(bijwoord) samen
quoniam
(onderschikkend voegwoord) aangezien
legatus
legati de gezant; de onderbevelhebber
maritus
mariti de echtgenoot
cura
curae de zorg
auxilium
auxilii de hulp