Woordjes engels unit 2
100 flashcards · English · by Kaat Leysen
a beauty salon
een schoonheidssalon
a chemist's
een drogisterij
a supermarket
een supermarkt
a department store
een warenhuis
a bookshop
een boekenwinkel
a toy shop
een speelgoedwinkel
a thrift shop/a second hand shop
een kringloopwinkel
a stationery shop
een winkel met kantoorbenodigdheden
a shoe shop
een shoenwinkel
a pet shop
een dierenwinkel
a grocery shop
een kruidenierswinkel
a florist's
een bloemenwinkel
a newsagent's
een krantenwinkel
a deli
een delicatessenwinkel
an optician's
een optiek
an ATM (an automated teller machine)
een geldautomaat
a post box
een brievenbus
an escalator
een roltrap
an information desk
een informatiebalie
a lift/an elevator
een lift
stairs
een trap
a taxi
een taxi
First aid
EHBO
toilets
de toiletten
On the first floor
op de eerste verdieping
on the ground floor
op de benedenverdieping
on the second floor
op de tweede verdieping
on the top floor
op de bovenste verdieping
on your left
aan je linkerkant
on your right
aan je rechterkant
downstairs
beneden
upstairs
boven
between
tussen
opposite (of)
tegenover
in front of
voor
next to
naast
ninety-nine pence
£ 0.99
one pound fifty
£ 1.50
sixteen pounds twenty-two
£ 16.22
seventy-five dollars
$ 75
one hundred euros
€ 100
Can I help you?
Kan ik u helpen?
Are you looking for something?
Zoekt u iets?
I'm just looking.
Ik ben gewoon aan het rondkijken.
I'm looking for ...
Ik zoek ...
Where are the changing rooms?
Waar zijn de paskamers?
The changing rooms ar here/over there.
De paskamers zijn hier/daar.
Can I try ... on?
Kan ik ... passen?
What size are you?
Welke maat hebt u?
Would you like another colour?
Wilt u deze graag in een andere kleur?
I am a small.
Ik heb een small.
Do you sell this in a bigger size?
Verkoopt u dit in een grotere maat?
Do you have this in another colour?
Hebt u dit in een andere kleur?
Here you are.
Alsjeblieft.
I'm sorry, that's the last one?
Het spijt me, dat is de laatste.
It is too tight.
Het is te strak.
They're perfect. I'll take them.
Ze zijn perfect. Ik neem ze.
I like it. I don't like it.
Het bevalt me. Het bevalt me niet.
How much is it?
Hoeveel kost het?
How much are these (ones)?
Hoeveel kosten deze?
It is ...
Het is ...
This one is only ...
Deze kost slechts ...
That's too expensive.
Dat is te duur.
Is there a discount? I am sorry but there isn't.
Is er een korting? Sorry, die is er niet.
Cash or card.
Cash of met de kaart?
Can I have a receipt, please?
Kan ik een kassabon krijgen a.u.b.?
Here is your change.
Hier is uw wisselgeld.
Would you like a bag? Yes please.
Hebt u graag een draagtas? Ja, graag.
To wear clothes
kleren dragen
to buy
kopen
fashion
mode
a label
een merk
to go shopping
gaan winkelen
to exchange
omuilen
To return
teruggeven
a salesperson
een verkoper
a shop assistant
een winkelbediende
a costumer
een klant
the price
de prijs
to spend money on
geld besteden aand
to cost
kosten
second-hand
tweedehands
20
twenty
21
twenty-one
30
thirty
34
thirty-four
40
forty
43
forty-three
50
fifty
52
fifty-two
60
sixty
66
Sixty-six
70
seventy
75
seventy-five
80
Eighty
88
eighty-eight
90
ninety
99
ninety-nine
100
a/one hundred
107
one hundred and seven