Woordjes engels unit 2

100 flashcards · English · by Kaat Leysen

  1. a beauty salon

    een schoonheidssalon

  2. a chemist's

    een drogisterij

  3. a supermarket

    een supermarkt

  4. a department store

    een warenhuis

  5. a bookshop

    een boekenwinkel

  6. a toy shop

    een speelgoedwinkel

  7. a thrift shop/a second hand shop

    een kringloopwinkel

  8. a stationery shop

    een winkel met kantoorbenodigdheden

  9. a shoe shop

    een shoenwinkel

  10. a pet shop

    een dierenwinkel

  11. a grocery shop

    een kruidenierswinkel

  12. a florist's

    een bloemenwinkel

  13. a newsagent's

    een krantenwinkel

  14. a deli

    een delicatessenwinkel

  15. an optician's

    een optiek

  16. an ATM (an automated teller machine)

    een geldautomaat

  17. a post box

    een brievenbus

  18. an escalator

    een roltrap

  19. an information desk

    een informatiebalie

  20. a lift/an elevator

    een lift

  21. stairs

    een trap

  22. a taxi

    een taxi

  23. First aid

    EHBO

  24. toilets

    de toiletten

  25. On the first floor

    op de eerste verdieping

  26. on the ground floor

    op de benedenverdieping

  27. on the second floor

    op de tweede verdieping

  28. on the top floor

    op de bovenste verdieping

  29. on your left

    aan je linkerkant

  30. on your right

    aan je rechterkant

  31. downstairs

    beneden

  32. upstairs

    boven

  33. between

    tussen

  34. opposite (of)

    tegenover

  35. in front of

    voor

  36. next to

    naast

  37. ninety-nine pence

    £ 0.99

  38. one pound fifty

    £ 1.50

  39. sixteen pounds twenty-two

    £ 16.22

  40. seventy-five dollars

    $ 75

  41. one hundred euros

    € 100

  42. Can I help you?

    Kan ik u helpen?

  43. Are you looking for something?

    Zoekt u iets?

  44. I'm just looking.

    Ik ben gewoon aan het rondkijken.

  45. I'm looking for ...

    Ik zoek ...

  46. Where are the changing rooms?

    Waar zijn de paskamers?

  47. The changing rooms ar here/over there.

    De paskamers zijn hier/daar.

  48. Can I try ... on?

    Kan ik ... passen?

  49. What size are you?

    Welke maat hebt u?

  50. Would you like another colour?

    Wilt u deze graag in een andere kleur?

  51. I am a small.

    Ik heb een small.

  52. Do you sell this in a bigger size?

    Verkoopt u dit in een grotere maat?

  53. Do you have this in another colour?

    Hebt u dit in een andere kleur?

  54. Here you are.

    Alsjeblieft.

  55. I'm sorry, that's the last one?

    Het spijt me, dat is de laatste.

  56. It is too tight.

    Het is te strak.

  57. They're perfect. I'll take them.

    Ze zijn perfect. Ik neem ze.

  58. I like it. I don't like it.

    Het bevalt me. Het bevalt me niet.

  59. How much is it?

    Hoeveel kost het?

  60. How much are these (ones)?

    Hoeveel kosten deze?

  61. It is ...

    Het is ...

  62. This one is only ...

    Deze kost slechts ...

  63. That's too expensive.

    Dat is te duur.

  64. Is there a discount? I am sorry but there isn't.

    Is er een korting? Sorry, die is er niet.

  65. Cash or card.

    Cash of met de kaart?

  66. Can I have a receipt, please?

    Kan ik een kassabon krijgen a.u.b.?

  67. Here is your change.

    Hier is uw wisselgeld.

  68. Would you like a bag? Yes please.

    Hebt u graag een draagtas? Ja, graag.

  69. To wear clothes

    kleren dragen

  70. to buy

    kopen

  71. fashion

    mode

  72. a label

    een merk

  73. to go shopping

    gaan winkelen

  74. to exchange

    omuilen

  75. To return

    teruggeven

  76. a salesperson

    een verkoper

  77. a shop assistant

    een winkelbediende

  78. a costumer

    een klant

  79. the price

    de prijs

  80. to spend money on

    geld besteden aand

  81. to cost

    kosten

  82. second-hand

    tweedehands

  83. 20

    twenty

  84. 21

    twenty-one

  85. 30

    thirty

  86. 34

    thirty-four

  87. 40

    forty

  88. 43

    forty-three

  89. 50

    fifty

  90. 52

    fifty-two

  91. 60

    sixty

  92. 66

    Sixty-six

  93. 70

    seventy

  94. 75

    seventy-five

  95. 80

    Eighty

  96. 88

    eighty-eight

  97. 90

    ninety

  98. 99

    ninety-nine

  99. 100

    a/one hundred

  100. 107

    one hundred and seven