LEH 6 goederenrecht

60 flashcards · Other · by anouk terlouw

  1. welke goederen zijn voor overdracht vatbaar

    eigendom beperkte rechten vorderingsrecht zolang de aard van het recht of de wet zich daartegen niet verzet.

  2. wanneer onoverdraagbaar op grond van de aard van het recht?

    afhankelijk recht hypotheek, pand, vrucht, erfdienstbaarheid, recht van opstal evt. persoonlijk karakter van het recht bijv gebruik en bewoning.

  3. wanneer onoverdraagbaar op grond van de wet?

    alleen op grond van wet in formele zin wettelijk voorkeursrecht

  4. partij beding : verbod tot overdracht

    in beginsel niet, wel uitzondering voor vorderingsrechten. schuldeiser en schuldenaar kunnen overdracht uitsluiten, art. 3:83 lid 2.

  5. kwalitatieve verplichting en overdracht

    een verbod tot overdracht kan niet worden doorgegeven door middel van een kwalitatieve verplichting als bedoeld in art. 6:252 lid 1.

  6. kwalitatieve verplichting registergoed

    De kwalitatieve verplichting , iets niet doen / iets dulden, wordt in een notariële akte vastgelegd. Door inschrijving van deze akte in het openbaar register, wordt de verplichting “kwalitatief”. Dit betekent dat de verplichting aan het registergoed blijft 'kleven'. De verplichting gaat daarmee over op (nieuwe) verkrijgers van het registergoed

  7. Kan overdracht eigendom worden beperkt / uitgesloten?

    Nee, art. 3:83 is dwingend recht. Een partij beding dat de vrije overdracht van eigendom beperkt of uitsluit heeft geen goederenrechtelijke werking.

  8. waarom overdracht van eigendom niet worden uitgesloten / beperkt met goederenrechtelijke werking?

    betekent de economische dood van de zaak, en dit vormt een ernstige belemmering van de vrije circulatie van zaken wat de grondslag van ons economisch stelsel is. het toekennen van een dergelijk goederenrechtelijk effect aan een onoverdraagbaarheidsbeding zou betekenen dat partijen de zaak goederenrechtelijk kunnen belasten. Dit lijkt erg op het vestigen van een beperkt recht en de wet ken een gesloten stelsel van beperkte rechten, waar deze niet tussenstaat.

  9. beding tussen partijen dat er geen (tweede) beperkt recht mag worden gevestigd

    geen goederenrechtelijke werking, want op grond van art. 3:98 strekt het in art. 3:83 tot uitdrukking gebrachte beginsel zich tevens uit tot het vestigen van een beperkt recht.

  10. wat voor werking heeft onoverdraagbaarheids/overdrachtsverbod dan wel?

    obligatoire werking. er niet aan houden kan wanprestatie opleveren. --> dus verbintenisrechtelijke gevolgen.

  11. contractueel optierecht

    mist goederenrechtelijke werking: optierecht houdt in dat d rechthebbende zich tegenover een wederpartij verplicht het betrokken goed gedurende de looptijd niet aan een derde over te dragen, maar dat wel te doen aan de optiegerechtigde wanneer deze zijn optierecht uitoefent.

  12. uitzondering op de regel dat een beding de overdraagbaarheid van een beperkt recht niet kan beperken

    erfpachtrecht als zelfstandig recht gevestigd opstalrecht de eigenaar een de beperkt gerechtigde kunnen in de akte van vestiging bepalen dat de beperkt gerechtigde niet kan overdragen zonder toestemming van de eigenaar. ART. 5:91

  13. werking onoverdraagbaarheidsbeding bij vorderingsrechten

    schuldeiser en schuldenaar kunnen overdraagbaarheid uitsluiten met goederenrechtelijke werking

  14. onoverdraagbaarheidsbeding vordering en toch overdragen

    gevolg: er komt geen overdracht tot stand omdat de vordering NIET overdraagbaar is.

  15. waarom is een onoverdraagbaareidsbeding bij vorderingsrechten wel mogelijk

    is daaruit te verklaren dat bij vordering de schuldeiser en schuldenaar op grond van hun partijautonomie vrij zijn om zelf hun inhoud en grenzen te bepalen, waardoor ze zelf ook de overdraagbaarheid kunnen regelen.

  16. kan overeengekomen worden dat de vordering niet vatbaar is voor de vestiging van een pandrecht en of vruchtgebruik

    ja, dit kan. heeft ook goederenrechtelijke werking en maakt haar niet onoverdraagbaar. andersom kan niet: De wet sluit uit de combinatie niet overdraagbaarheid, wel verpandbaarheid van de vordering uit. want art. 3:83 lid 1 neemt de overdraagbaarheid als uitgangspunt voor de vestiging van een beperkt recht. en executoriale verkoop gaat er vanuit dat het goed overdraagbaar moet zijn.

  17. verhaal en onoverdraagbaarheidsbeding

    een vordering blijft ondanks een onoverdraagbaarheidsbeding in beginsel beschikbaar als verhaalsobject, omdat verhaal op een vordering door inning geschiedt, niet door executoriale verkoop.

  18. welke vorm kan een onoverdraagbaarheidsbeding hebben?

    uitdrukkelijk stilzwijgend --> kan ook later, dan bij het aangaan van de overeenkomst, worden afgesproken. maar niet pas na dat de vordering is overgedragen.

  19. waarom kan een derde geen bescherming ontlenen aan 3:88 wanneer een onoverdraagbaarheidsbeding bestaat?

    Omdat art. 3:88 uitgaat van een levering door een beschikkingsonbevoegde, maar hier vindt het niet totstandkomen van de overdracht zijn oorzaak in een eigenschap van de vordering.

  20. wanneer kan een derde bij een onoverdraagbaarheidsbeding wel een beroep doen op art. 3:36

    wanneer de verkrijger niet alleen op uitlatingen van de vervreemder is afgegaan, maar voorafgaand aan de cessie ook navraag bij de schuldenaar heeft gedaan over het bestaan van een onoverdraagsbaarheidsbeding en deze hem heeft verzekerd dat die er niet bestaat.

  21. overdrachtsverbod

    obligatoire afspraak , dus alleen verbintenisrechtelijke werking. overdracht komt wel geldig tot stand maar dan sprake van wanprestatie.

  22. kan een overdrachtsverbod ook goederenrechtelijke werking hebben?

    ja, slechts indien met het overdrachtsverbod tevens is beoogd onoverdraagbaarheid tot eigenschap van de vordering te maken, heeft zij goederenrechtelijke werking op grond van art. 3:83 lid 2. als uitgangspunt moet worden aangenomen dat overdrachtsverboden uitsluitend verbintenisrechtelijke werking hebben, tenzij uit de - naar objectieve maatstaven uit te leggen - formulering daarvan blijkt dat daarmee goederenrechtelijke werking is beoogd. (Coface/Intergamma)

  23. welke overige rechten zijn overdraagbaar

    alleen die rechten die door de wet als overdraagbaar worden bepaald: Intellectuele eigendomsrechten naburige rechten octrooi rechten aandelen op naam in NV of BV overdraagbaar krachtens art. 2:86, 87, 2:195 enb 2:196

  24. blokkeringsregels

    statutaire regels die de overdraagbaarheid van aandelen op naam in NV of BV met goederenrechtelijke werking beperken,.

  25. moet de wet uitdrukkelijk bepalen dat een goed voor overdracht vatbaar is?>

    Nee, voldoende is dat het past in het stelsel van de wet en aansluit bij wel in de wet geregelde gevallen.,

  26. gevallen van ongeldige titel

    ontbreken van geldige overdrachtstitel en tijde van de levering aanvankelijk bij de levering geldige titel die met terugwerkende kracht komt te vervallen.

  27. wat brengt GEEN geldige overdractstitel voort

    huur bruikleen bewaarneming verpanding

  28. nietige rechtshandeling en tite;l

    een geldige titel ontbreekt indien de daaraan ten grondslag liggende rechtshandeling NIETIG is en dus GEEN verbintenis tot stand heeft gebracht: vormgebrek strijd met openbare orde, goede zeden of wet onverenigbaarheid van de beoogde verkrijging met de persoon van de verkrijger.

  29. waardoor gebrek in titel?

    rechtshandeling die ten grondslag ligt aan verbintenis is nietig overeenkomst is vernietigbaar en wordt ook vernietigd. van levering krachtens geldige titel is ook geen sprake wanneer de tot overdracht verplichtende overeenkomst voor de levering is ontbonden wanneer de wet een titel rechtstreeks of indirect als ongeldig aanmerkt.,

  30. welke titels merkt de wet aan als ongeldige titels voor overdracht?

    titel die er toe strekt een goed tot zekerheid over te dragen titel die de strekking mist het goed na overdracht in het vermogen van de verkrijger te doen vallen., titel die strekt tot overdracht van een goed voor bepaalde tijd --> wordt vruchtgebruik

  31. levering krachtens geldige titel, maar titel wordt vernietigd

    vernietiging heeft krachtens art. 3:53 lid 1 terugwerkende kracht er heeft dus nooit een verbintenis tot overdracht bestaan. vervreemder is ondanks de levering altijd eigenaar gebleven

  32. grond voor vernietiging

    handelingsonbekwaamheid geestelijke stoornis bedreiging, bedrog, misbruik van omstandigheden dwaling ontbreken van de overeenkomst waarop is voortgebouwd strijd met de paulina strijd met een dwingende beschermingsbepaling ontbreken toestemming echtgenoot.

  33. wanneer blijft titel geldig ondanks vernietiging

    de rechter is bevoegd om aan de vernietiging haar terugwerkende kracht te ontnemen wanneer de gevolgen van de vernietiging bezwaarlijk ongedaan te maken zijn. er blijft dus een geldige titel voor overdracht bestaan.

  34. rechtsgevolg ontbinding overeenkomst

    overdrachstitel blijft geldig er ontstaan een ongedaanmakingsverplichting de verbintenis tot ongedaanmaking vormt de geldige titel tot (terug)overdracht. de vordering van de vervreemder op de verkrijger is slechts een persoonlijke vordering en is dus concurrent schuldeiser bij faillissement.

  35. hoe wordt de vervreemder door de wet tegemoet gekomen?

    recht van reclame eigendomsvoorbehoud bedingen ontbindende voorwaarde

  36. mistverstand fiduciaverbod

    er is GEEN sprake van een algemeen verbod om fiducaire verhoudingen in het leven te roepen

  37. welke fiducia verhoudingen leveren ongeldige titels op?

    die tot zekerheidstelling niet tot werkelijke overdracht strekkende titel

  38. wat is een ongeldige zekerheidstitel

    een titel die voortkomt uit een rechtshandeling die ten doel heeft een goed over te dragen tot zekerheid.

  39. waarom is een titel die strekt tot zekerheid verboden?

    omdat de wet uitgaat een gesloten stelsel van voorrangsrechten. Dit houdt in dat een schuldeiser bij verhaal op goederen van de schuldenaar alleen in door de wet aangegeven gevallen voorgaat boven andere schuldeisers. De wet duldt dus naast de wettelijke voorrangsrechten GEEN gemodificeerde overdrachten die alleen tot doel hebben een goed aan een derde in zekerheid te geven: dwz die enkel als oogmerk hebben de verkrijger in zijn schuldsbelang te beschermen door voor hem de mogelijkheid van verh…

  40. wanneer is de titel tot zekerheid wel een geldige titel

    bij vestigen pand en hypotheek

  41. waarom gesloten stelsel beperkte rechten

    voorkomen dat er allerlei beperkte rechten ontstaan met willekeurige inhoud, dit zou een ernstige bedreiging vormen voor de rechtszekerheid en transparantie die noodzakelijk zijn voor een vrij rechtsverkeer.

  42. waartoe dwingt art. 3:84 lid 3 partijen te kiezen|>?

    werkelijke overdracht, waaraan geen zekerheidstitel ten grondslag mag liggen., kiezen voor vestiging in de wet genoemde beperkte rechten. overdracht onder voorbehoud van een beperkt recht. overdracht van het goed onder voorwaarde volledige obligatoire verhouding

  43. hoe kan een derde verkrijger bescherming krijgen op grond van art. 3:36

    hij moet zijn afgegaan op een verklaring of gedraging van de rechthebbende opgewekte schijn dat de vervreemder mbt het goed beschikkingsbevoegd was. hij moet de transactie ook zijn aangegaan op grond van die opgewekte schijn. --> moet sprake zijn gerechtvaardigd vertrouwen

  44. bij welke bewijsvermoedens sluit art. 3:86 aan?

    bij art. 3:109 art. 3:119

  45. legitimatieleer

    wanneer een derde te goeder trouw is afgegaan op de legitimatie die het in de macht hebben van de zaak geeft wordt hij beschermt door art. 3:86 lid 1 indien achteraf blijkt dat de vervreemder niet beschikkingsbevoegd was. dat de eigendom van de rechthebbende verloren gaat, vindt zijn rechtvaardiging in de eisen van het rechtsverkeer.,

  46. cumulatieve vereisten art. 3:86

    levering van een roerende zaak, niet-registergoed of recht aan toonder of order de levering vindt plaats overeenkomstig 3:90, 91, 93 de levering geschiedt anders dan om niet. de derde-verkrijger is te goeder trouw.

  47. beperking reikwijdte art. 3:86

    door 3:86a 3:86b WEGWIJSPLICHT art. 3:87

  48. kernmerk order en toonderrechten

    in papier neergelegd, en wet ziet dit dan als overdracht roerende zaak niet-registergoed

  49. beperkte rechten en bescherming art. 3:86

    in praktijk alleen recht van vruchtgebruik --> pand kent lex specialis

  50. waarom ziet art. 3:86 alleen op bepaalde wijze van leveringen?

    het zijn leveringen die betrekking hebben op de situatie waarin de vervreemder de goederen in zijn macht had. alleen in dat geval is er sprake van legitimatie als rechthebbende en slechts dan kan de verkrijger op die legitimatie zijn afgegaan. want wanneer de vervreemder de zaak niet in zijn macht heeft en op een andere manier levert, kan de verkrijger niet zijn afgegaan op het in de macht hebben van de zaak verbonden schijn dat de vervreemder ook rechthebbende is.

  51. uit welke criteria bestaat de goeder trouw?

    aansluiting art. 3:11 subjectief criterium er is geen sprake van goeder trouw, wanneer de derde-verkrijger wist dat de vervreemder beschikkingsonbevoegd was. objectief criterium er is geen sprake van goede trouw, wanneer de derde-verkrijger in de gegeven omstandigheden had behoorde te weten dat de vervreemder beschikkingsonbevoegd was.

  52. welke omstandigheden kunnen bij onderzoeksplicht naar beschikkingsbevoegdheid een rol spelen

    hoedanig en achtergrond van partijen de betaalde prijs de plaats van aankoop de mogelijkheid tot het raadplegen van een (gemakkelijk) toegankelijke register (bijv mbt tot gestolen cultuurgoederen) relevante documentatie.

  53. op welk tijdstip moet iemand te goeder trouw zijn./

    tijdstip van de voltooiing van de levering is doorslaggevend. ontdekt derde-verkrijger pas daarna dat de vervreemder beschikkingsonbevoegd was, dan maakt dat niet uit voor bescherming.

  54. wat bepaalt de omvang van de wegwijsplicht?

    de omstandigheden van het geval ten tijde van de verwerving van de zaak. de wegwijsplicht is niet zo streng dat de derde altijd zoveel gegevens moet kunnen verschaffen als nodig is om degene van wie hij de zaak heeft verkregen ook feitelijk te vinden.

  55. wat is het doel van art./ 3:87 (wegwijsplicht)

    gedeposseerde te helpen bij bescherming van de derde-verkrijger opdat hij evt diens voorman kan aanspreken. beoogt nader aan te geven dat de derde-verkrijger zich er van moet vergewissen wie de verkoper is (nadere concretisering onderzoeksplicht)

  56. in welk opzicht gaat de wegwijsplicht verder dan de vereiste goede trouw van art. 3:86

    de goede trouw geldt alleen ten tijde van de voltooiing van de levering, maar wanneer iemand achteraf niet meer in staat is de nodige gegevens van de vervreemder te verschaffen kan hij zich niet beroepen op de bescherming van art. 3:86.

  57. bewijslast goede trouw

    art. 150 Rv de derde-verkrijger moet feiten en omstandigheden stellen en zo nodig bewijzen die rechtvaardigen dat hij de vervreemder voor beschikkingsbevoegd mocht houden en waaruit blijkt hij in voldoende mate aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan.

  58. tegemoetkoming derde-verkrijger bij bewijs goede trouw

    door de twee wettelijke bewijsvermoedens. art. 3:109 art. 3:118 in beginsel ligt op de gedeposseerde de bewijslast dat de derde-verkrijger niet te goeder trouw is.

  59. uitzonderingen bescherming gedeposseerde wanneer de derde-verkrijger de zaak heeft gekregen omdat die gestolen was door de vervreemder

    verkrijging door een particulier die een zaak heeft gekocht in de voor dergelijke zaken normale handel, waarbij men geen gestolen zaak hoeft te verwachten koop in een winkel of ander bedrijf met een duurzame op een vaste plaats gevestigde bedrijfsruimte geld resp toonder/orderpapieren. contant geld laat zich in de praktijk niet identificeren.

  60. cumulatieve vereisten voor uitzonderingen in art. 3:86 lid 3 sub a

    de verkrijger moet een natuurlijk persoon zijn, die anders handelt dan in uitoefening van zijn bedrijf of beroep. de vervreemder moet van het verhandelen van soortgelijke zaken zijn bedrijf hebben gemaakt. geen sprake van wanneer pc wordt verkocht in antiekzaak., koop op een veiling is uitgezonderd. particuliere koper geschiedt geen bescherming tegen revindicatie oorspronkelijk rechthebbende. de vervreemder moet in de normale uitoefening van zijn bedrijf handelen. uitoefening van het bedrijf mo…