H. FARMACOKINETIEK

19 flashcards · Other · by hannahterlinden

  1. Wat is Farmacokinetiek?

    DIt beschrijft de provessen waaraan een werkzame stof in het lichaam wordt onderworpen (absoprtie, distributie, metabolisme en eliminatie)

  2. Wat houdt absorptie in en wat is daarbij een belangrijke term?

    De snelheid warmee de werkzame stof wordt opgenomen. Dit wordt vaak bepaald door de biologische beschikbaarheid: hoeveel er ook daadwerkelijk in de circulatie terecht komt.

  3. Wat is het first pass effect?

    Indien van een oraal ingenomen werkzame stof een deel al vóór absorptie in de darmwand gemetaboliseerd wordt (presystemische metabolisering) en/of in de lever wanneer het middel na opname voor het eerst de lever passeert, spreekt men van een first-pass-effect. DIt kan alleen bij orale medicamenten.

  4. Wat is de AUV (Area onder de curve)

    De totale blootstelling aan een geneesmiddeln.

  5. Wat is distributie?

    Het verdelingsvolume is de verhouding tussen de hoeveelheid opgenomen geneesmiddel in het lichaan en de plasmaconcentratie.

  6. Wat is metabolisme?

    Het geneesmiddelmetabolisme vindt plaats in de lever via biotransformatie bia type 1 en type2 reacties.

  7. Wat is type 1 metabolisme?

    hydrolyse oxidatie reductie

  8. Wat is type 2 metabolisme

    acetylering gluconidering sulfatering

  9. Wat is een prodrug?

    Een middel dat pas na metabolisering actief wordt.

  10. Wat is een belangrijk enzym bij de metabolisering van geneesmiddelen?

    CYP3A4

  11. Noem voorbeelden van enzyminhibitors en wat zij doen voor de hoeveelheid geneesmiddelen in het bloed.

    azolen (ketoconazol, itraconazolm miconazol) claritromycine erytromycine verpamil grapefruitsap DIRECT effect van hogere bloedspiegels

  12. Noem voorbeelden van enzuminducerd en wat zij doen voor de hoeveelheid geneesmiddelen in het bloed.

    rifampicine carbamazepine denytoine st. janskruid DAGEN- TOT WEKEN van lagere bloedspiegels

  13. Wat is Klaring?

    De klaring is hoeveel plasma er per tijdseenheid van stof wordt ontdaan. NIET zo bij lithium.

  14. Wat is de steady state?

    De steady state is de hoeveelheid die wordt toegediend versus wordt uitgescheiden.

  15. Wanneer is eGFR belangrijk?

    Als een medicijn meer dan 50% wordt geklaard door de nier; anders treedt er accumilatie op.

  16. Wat is halfwaarde tijd?

    De halfwaardetijd is de tijdsduur waarin de plasmaconcetratie in waarde halveert. Na 5x de halfwaarde tijd wordt een steady sate bereikt. Ook het stoppen van het geneesmiddel totdat het volledig uit het bloed is verdwenen is 4-5x de halfwaarde tijd.

  17. Noem een middel met 0% biologische beschikbaarheid?

    Loperamide (een opiaat, die in de darmen moet werken)

  18. Als het verdelingsvolume heel laag is, is de halfwaarde tijd dan kort of lang.

    Deze is dan lang. De medicijnen zitten dan vaak in organen, spieren of vetweefsel en wordt dus niet gefilterd door de nier.

  19. Noem drie middelen met een hele lange halfwaardetijd

    Digoxine Amiodarone Teicoplanin > Handig om dan dus een oplaaddosis te geven, zodat je direct een effect hebt.