B. ANTISTOLLING

58 flashcards · Other · by hannahterlinden

  1. Wat wordt er tijdens de eerste fase van stolling gedaan en welke stofjes zijn hier bij betrokken?

    bloedplaatjes binden aan beschadigde vaatwand --> klonteren van bloedplaatjes (aggregratie) --> VWf: activatie van bloedplaatjes --> stollingsbevorderende factoren (trombaxaan A2, ADP, serotonine)

  2. Wat wordt er tijdens de tweede fase van stolling gedaan en welke stofjes zijn hier bij betrokken?

    De vorming van het bloedstolsel: TF (tissue factor) gaat aan ---> fibrinogeen in fibrine omgezet --> stollingsfactoren worden gevormd vanuit de lever onder leiding van Vit. K

  3. Wat is de trias van Virchow

    Verhoogde stolbaarheid Vertraagde bloedstroom Beschadigde vaatwand

  4. Noem voorbeelden van een arteriële trombose

    Herseninfarc Hartinfarct

  5. Hoe behandel je een arteriële trombose?

    Trombocytenaggregratie remmers (clopidogrel acetylsalisylzuur, dipyridamol)

  6. Noem voorbeelden van een veneuze trombose

    DVT Longembolie

  7. Hoe behandel je een veneuze trombose?

    Vit K antagonisten (acenocoumarolm Fenprocoumpn Heparines DOAC (apixaban, dabigatran, edoxaban en rivaroxoban

  8. Wat voor middel is acetylsalicylzuur en hoe werkt het?

    Trombocytenaggregratieremmer Het remt irreversibel de plaatjesaggregratie door het prostaglandine tromboxaan A2 door remming van cyclo-oxygenase (10 dagen)

  9. Wat voor middel is clopidogrel en hoe werkt het?

    Trombocytenaggregratieremmer Het remt irreversibel de plaatjesaggregratie door ADP te blokkeren (10 dagen)

  10. Wat voor middel is Ticagrelor en hoe werkt het?

    Trombocytenaggregratieremmer Het remt reversibel de plaatjesaggregratie door P2Y12-receptor en daarme ADP facciliatie (8-12uur)

  11. Wat voor middel is Dipyridiamol en hoe werkt het?

    Trombocytenaggregratieremmer Het remt reversibel de plaatjesaggregratie (12 uur)

  12. Wat zijn indicaties voor acetylsalicylzuur?

    Secundaire preventie myocardinfarct Behandeling ACS Preventie bij stabiel AP Preventie na graf-occlusie na aorta-coronaire bypass Secundaire preventie na TIA en niet-invaliderend herseninfarcts (mits er GEEN sprake is van intracerebrale bloedingen) - 2e keus Na implantatie van coronaire stents icm clopidogrel of ticagrelor

  13. Wat zijn indicaties voor clopidogrel?

    Secundaire preventie na TIA of CVA (eerste keus) PAV ACS MI Na implantatie coronaire stants icm acetylsalicylzuur

  14. Wat is de dosering van acetylsalicylzuur?

    80g 1dd

  15. Wat is de dosering van clopidogrel?

    75mg 1dd

  16. Wat zijn indicaties voor Ticagrelor?

    ACS

  17. Wat is de dosering van Ticagrelor?

    90mg 2dd

  18. Wat zijn indicaties voor Dipyridamol?

    Secundaire preventie na TIA en niet-invaliderend herseninfarcts (mits er GEEN sprake is van intracerebrale bloedingen) - 2e keus

  19. Wat zijn interacties voor trombocyten aggregratieremmers?

    Corticosteroïden NSAIDs SSRIs (maag)bloedingen ^

  20. Bij welke operaties moet acetylsalicylzuur/clopidogrel gestopt worden? En wanneer?

    Neurochirurgie KNO Nier/leverbiopten 5 dagen vtv

  21. Hoe ver vantevoren moet dipyridamol gestopt worden

    1 dag vtv

  22. Wat doe je als iemand een trombocytenaggregratieremmer heeft bij een acute situatie waarbij iemand geopereerd moet worden?

    desmopressine (DDAVP) + trombocytentransfusie

  23. Bij welk middel werkt een trombocytentransfudie niet?

    dipyridamol, want die binden reversibel dus zullen alle trombocyten dan 'stuk' maken.

  24. Hoe snel na het geven van acetylsalicylzuur kan je een trombocytentransfusie geven?

    40 min.

  25. Hoe snel na het geven van clopidogrel kan je een trombocytentransfusie geven?

    12 uur

  26. Welke stollingsfactoren zijn afhankelijk van Vit. K?

    2, 7, 9 en 10

  27. Hoe werken vitamine K-antagonisten

    Remt vitamine K en daarmee de stollingsfactoren 2,7,9 en 10, waardoor er een afname van fibrinevorming is

  28. Na hoelang zijn Vit. K-antagonisten werkzaam?

    Pas na 2-3 dagen: daarom moet er vaak gebridged worden met een heparine in het geval directe antistolling verreist is.

  29. Wat werkt langer na het stoppen: acenoucoumarol of fenprocoumon?

    fenprocoumon: deze werkt weken, terwijl acenoucoumarol een paar dagen duurt.

  30. Wat zijn indicaties van Vit. K antagonisten

    AF Mechanische klepprotese Longembolie DVT Voorkomen van TIA/CVA bij CHADVAQ > 1

  31. Wat is het streefINR?

    Tussen 2 en 3

  32. Wij welk medicijn moet het INR worden gecontroleerd?

    Vit. K-antagonisten

  33. Welke interacties zijn er met Vit. K antagonisten en wat is het gevolg daarvan?

    Koortsende ziekte (de enzymen die coumarinederivaten moeten afbreken, woren slecher. Stollingseiwitten worden dus sneller afgebroken, waardoor het INR doorschiet) Slechte intake (Er wordt dan ook weinig Vit. K ingenomen) Onregelmatige alcohol inname) NSAID's, acetylsalicylzuur (>300) en corticosteroïden (verhogen bloedingsrisico) Cotrimoxazol (verhoogd de werking) Anti-epileptica (verlagen de werking)

  34. Wat is het streefINR bij een mechanische klep of longembolie?

    Tussen de 2.5 en 3.5

  35. Wat is het streefINR bij een actieve bloeding?

    <1.7

  36. Hoe handel je bij een niet-levensbedreigende situatie wanneer iemand Vit. K inneemt?

    5mg Vit. K oraal (na 8u effect) OF i.v. (CAVE anafylaxie, na 6 uur effect) - Het is 24-48u werkzaam. Bij langwerkende Vit. K antagonisten (fenprocoumon), dient er dus vaker Vit. K te worden gegeven.

  37. Hoe handel je bij een levensbedreigende situatie wanneer iemand Vit. K inneemt?

    Cofact (vier stollingsfactoren concentraat) - onmiddelijk effect

  38. Moeten coumarines voor een ingreep getsopt worden? Zo ja: wanneer?

    Ja, ALTIJD! Er zal dan, indien nodig, gebridge worden.

  39. Wanneer is er bij Vit. K-antagonisten een indicatie voor bridgen als de Vit. K antagonist gestopt dient te worden?

    AF met een CHADVASQ > 8 Recidiverend DVT/LE DVT < 3mnd geleden Mechanische klep Reumatisch kleplijden Biokunstklep < 3 maanden geleden geplaatst

  40. Wat is het werkingsmechanisme van heparine?

    Heparine activeert anti-trombine 3, waardoor trombine en geactiveerd factor 10 worden geneutraliseerd. Hierdoor wordt de omzetting van fibrinogeen naar fibrine stopgezet.

  41. Wat zijn de nadelen van heparine?

    IV of subcutaan gegeven worden Effect zeer variabel, dus moet getest worden middels aPTT

  42. Hoe wordt heparine getetst?

    aPTT

  43. Noem voorbeelden van LMWH

    Nadroparine (fraxiparine) en enoxaparine

  44. Hoe werken LMWH's?

    Werken bijna hetzelfde als heparine, alleen ipv dat zo zowel factor 2a en factor 10 remmen, remmen ze vooral factor 10 en amper factor 2a.

  45. Hoe kan de werking van LMWH's getest worden

    NIET door aPPT, maar door anti-factor Xa activiteit

  46. Wat zijn de twee grote voordelen van LMWH's

    De halveringstijd is langer Deze antistolling is stabieler en beter de voorspellen

  47. Wanneer kies je toch liever voor een heparine ipv. voor een LMWH?

    Bij nierinsufficientie, gezien LMWH's meer renaal worden geklaard

  48. Wat zijn indicaties voor LMWHs?

    verloskundige gynaecologie patiënten die >4 dagen niet mobiel zijn icm met 1 risicofactor patienten die een operatie moeder ondergaan die langer dan 30 min duurt (nadroparine 1dd 2850)

  49. Wat MOET er gebeuren bij patiënten die heparine gebruiken? En hoe heet deze bijwerkingen?

    Wekelijks het trombocytengetalcontroleren vanwege de kans op HIT

  50. Wat zijn interacties met heparines?

    Anti-coagulerend effect wordt versterkt: NSAIDs Salicylaten Vit. K antagonisten Ulcerogene werking: Corticosteroïden

  51. Waar moet je bedacht op zijn bij een bloeding onder heparine'LMWH

    Anafylactische shock

  52. Hoe kan heparine gecoupeerd worden in een levensbedreigende situatie?

    1mg protamine (zeer langzaam iv toedienen)

  53. Werkt protamine bij LMWHs ook?

    Ja, alleen minder goed. Er wordt slechts 50% gecoupeerd.

  54. Hoe werken DOACs

    ipv dat zij, zoals heparines, stollingsfactoren aanmaak remmen, grijpen zij vooral aan op de al gemaakte stollingsfactoren. Dibigatran doet dat met 2a en de rest met factor 10a. Zijn DIRECT werkzaam en behoeven daarom geen bridgeing.

  55. Welke DOAC schrijf je voor bij een slechte nierfunctie?

    Rivaroxaban of Apixaban (wordt slechts voor een klein deel door de nier uitgescheiden)

  56. Wat zijn indicaties van DOACs?

    AF bij een CHADVASQ > 1 DVT LE NIET BIJ KLEPLIJDEN, HEMODIALYSE EN NIERINSUFF !!

  57. Wat zijn nadelen van DOACs?

    Minder controle: minder therapietrouw Nog niet voor alle DOAC een antidotum Minder vaak intracraniele bloedingen (ivm Vit. K)

  58. Interacties DOAC

    Verapamil Itraconazol