Hersenen en gedrag

45 flashcards · Other · by Isa Vrolijk

  1. Welke twee soorten hersencellen zijn er?

    Neuronen en gliacellen

  2. Waaruit bestaat een neuron?

    Celmembraam met kanaaltjes, celkern met genetisch materiaal, mitochondrien (energievoorziening), ribosomen (eiwitten)

  3. Wat is er speciaal aan een neuron?

    Ze zorgen voor communicatie

  4. Wat doet een dendriet en hoeveel zijn er?

    Dendrieten ontvangen informatie van andere neuronen, er zijn veel dendrieten per cel

  5. Wat doet een axon en hoeveel zijn er?

    De informatie wordt verstuurd via het axon, er is er maar 1

  6. Wat doet de presynaptische terminal?

    Geeft informatie af aan de volgende cel (vertakking van axon)

  7. Hoe gaat de informatieverwerking van hersencellen/neuronen

    dendriet > soma > axon > presynaptische terminal

  8. Wat doen gliacellen?

    Ze ondersteunen de functies van neuronen, beinvloeden de communicatie/informatieverwerking

  9. Wat zijn de functies van gliacellen?

    Fysieke steun, aan en afvoer van stoffen, productie hersenvloeistof, maken myeline, afweer, rol in de ontwikkeling

  10. Wat zijn astrocyten? (gliacellen)

    Zorgt voor aan en afvoer van stoffen, goed voor herstel

  11. Wat zijn oligodendrocyten? (gliacellen)

    Maken myeline, ligt om de axonen heen, is wit

  12. Wat is microglia? (gliacellen)

    Rol in afweer tegen virussen en schimmels, profileren bij schade aan de hersenen en rol bij ontwikkeling van hersenen

  13. Wat zijn radicale gliacellen?

    Begleiden migratie van neuronen

  14. Waar bestaat het CZS uit?

    ruggenmerg + hersenen

  15. Informatie verwerking van CZS

    Van zintuigen naar CZS Van de ene plek in CZS naar andere plek Van de CZS naar de spieren

  16. Wat is afferente informatieverwerking?

    Voert informatie aan, sensorisch neuron

  17. Wat is efferente informatieverwerking?

    Voert informatie af, motorisch neuron

  18. Wat is intrinsieke informatie verwerking?

    Liggen binnen dezelfde structuur, interneuron

  19. Waardoor worden de hersenen beschermd?

    bot, vloeistoflaagje en bloed hersenbariere

  20. Wat kan WEL door de bloed hersenbariere heen?

    Voedingstoffen Kleine moleculen, in vet oplosbare stoffen, ongeladen stoffen, zuurstof CO2 vitaminen Via speciale kanalen = water Via actief transport = glucose, aminozuren, vitaminen en ijzer

  21. Wat is tight junction?

    Moeilijk voor de stoffen om in je hersenen te komen Wand van bloedvaten

  22. Wat kan NIET door de bloed hersenbariere?

    schadelijke stoffen, virussen, medicijnen

  23. Wat is een soma?

    Lichaamscel

  24. Wat is een nodes of ranvier?

    onderbrekingen van de myeline laag bij een axon, alleen hier kan een actiepotentiaal plaatsvinden

  25. Wat zijn ionen?

    Geladen deeltjes, positief of negatief ++ en -- stoten elkaar af en +- trekken elkaar aan

  26. Wat is een rustpotentiaal?

    Ladingsverschil tussen de binnen en buitenkant van de cel, de binnenkant is negatiever dan de buitenkant Dit wordt door middel van een pomp actief in stand gehouden door het celmembraam

  27. Wat is een actiepotentiaal? (loopt door een axon heen)

    als het rustpotentiaal wordt verstoord doordat er prikkels binnenkomen, dan gaan er kanalen in het celmembraam open, en komen de NA+ ionen de cel binnen Dit wordt versneld door myeline

  28. Wat is depolarisatie?

    Het wordt positiever binnen in de cel, want de Na+ ionen komen binnen

  29. Wat is none or all law?

    De actiepotentiaal staat altijd aan of uit. AP is niet proportioneel aan de prikkel, de sterkte kan verschillend zijn

  30. Wat is de functie van rustpotentiaal?

    Je staat klaar om snel te reageren waardoor prikkeloverdracht snel kan verlopen, dus klaar staan voor snelle informatieoverdracht

  31. Wat is graduele potentiaal?

    graduele signalen horen bij dendrieten en cellichaam, kunnen positief of negatief zijn. Temporele sommatie (tijd) Spatiele sommatie (ruimte) Tellen op in tijd en ruimte, is proportioneel aan de stimulus, kan positief of negatief zijn EPSP en IPSP doven elkaar uit

  32. Wat is inhibitie?

    negatief

  33. Wat is excitatie?

    positief

  34. Wat is hyperpolarisatie?

    de waarde wordt nog negatiever, dus minder dicht bij drempelwaarde

  35. Wat is er in de cel

    Rustpotentiaal = boog die gespannen staat Actiepotentiaal = alles of niets regel Gradueel potentiaal = prikkel heeft proportioneel effect op de cel

  36. Wat doet een synaps?

    informatieoverdracht tussen neuronen, dmv chemische signalen en stofjes, geen ladingen Deze stofjes heten neurotransmitters; dopamine, adrealine, serotonine, GABA Deze verzorgen de informatieoverdracht, kan exciterend (positief) of inhiberend (negatief) zijn

  37. Wat gebeurd er presynaptisch?

    De NT worden aangemaakt in soma en axon, zit in zakjes (vehicles), komt vrij in de synaps door de actiepotentiaal. Het neuron die de boodschap verstuurt

  38. Wat gebeurd er postsynaptisch?

    NT hecht zich aan receptoren, maar alleen als het past. Activiteit in de postsynaptische cel veranderd, het opent de poortjes en de geladen deeltjes stromen de cel in De graduelen signalen zijn snel, gradueel en doven uit Het neuron die de boodschap ontvangt

  39. Wat gebeurd er nadat de NT in de synaptische ruimte zit?

    NT laat los Kan zich nog een keer hechten en heeft weer effect op de post synaptische cel Hij kan worden afgebroken door enzym Hij kan worden opgenomen door presynaptische neuron A, dus soort hergebruik

  40. Waar hangt het effect van de NT van af?

    Aanmaak Heropgenomen Afgebroken door enzymen in de synaps Aantal receptoren Myeline zorgt ervoor dat impulsen sneller worden doorgegeven

  41. Wat is saltatory conduction?

    Er komt alleen Na+ binnen bij nodes, maar sommige neuronen hebben geen axons, zij kunnen alleen informatie uitwisselen met de cellen direct naast ze (lokale neuronen)

  42. Wat is een lokaal neuron?

    Een lokaal neuron ontvangt informatie van andere neuronen en produceert gegradeerde potentialen

  43. Waardoor communiceren neuronen met elkaar?

    Ze geven chemische stofjes door bij synapsen (ruimte tussen 2 neuronen in)

  44. Wat is temporal summation?

    herhaalde stimuli binnen een korte tijd hebben een cumulatief effect

  45. Wat is sparial summation?

    Stimili op twee verschillende plaatsen, maar wel tegelijkertijd, samen wel drempel bereikt