LT - p. 10
35 flashcards · Other · by Hanne Leysen
dux
ducis, m. de leider
pugna
pugnae het gevecht
alius
alia, aliud; alterius een ander(e)
vacuus
+ ablatief vacua, vacuum leeg; vrij van
decus
decoris, o. de eer; het sierraad
invidia
invidiae de jaloezie; de haat
servus
servi de slaaf
via
viae de weg
barbarus
barbara, barbarum vreemd; onbeschaafd
preces
precum, v. mv. de smeekbeden
opus
operis, o. het werk
pax
pacis, v. de vrede
communis
+ datief communis, commune; communis gemeenschappelijk aan
nonnulli
nonnullae, nonnulla enkele
par
+ datief par, par; paris gelijk aan; opgewassen tegen
ingens
ingens, ingens; ingentis reusachtig
victor
victoris, m. de overwinnaar
iustus
iusta, iustum rechtvaardig
fortuna
fortunae het lot; de toestand
imperium
imperii de heerschappij; het opperbevel; het rijk
socius
socii de bondgenoot; de deelgenoot
terra
terrae de aarde; het land
vetus
vetus, vetus; veteris oud
moenia
moenium, o. mv. de stadsmuren
summa
summae de hoofdzaak; het geheel
annus
anni het jaar
insignis
insignis, insgne; insignis opvallend
sacer
sacra, sacrum heilig; gewijd
novus
nova, novum nieuw
arma
armorum de wapens
cuncti
cunctae, cuncta alle
natura
naturae de natuur; de aard
pectus
pectoris, o. de borst; het hart; het verstand
frumentum
frumenti het graan
consuetudo
consuetudinis, v. de gewoonte